ECLI:NL:GHAMS:2010:BN1231
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van exitheffing bij zetelverplaatsing van vennootschap naar VK in het licht van nationaal en Europees recht
De zaak betreft de emigratie van een Nederlandse vennootschap (belanghebbende) naar het Verenigd Koninkrijk in 2000, waarbij een aanzienlijke ongerealiseerde meerwaarde op een GBP-vordering werd belast door Nederland als exitheffing. De inspecteur stelde dat belanghebbende zich schuldig maakte aan wetsontduiking door een kunstmatige boekjaarwijziging om de heffing te ontlopen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de aanslag deels gegrond en deels ongegrond, waarbij zij de boekjaarwijziging als fraudem legis bestempelde en deze negeerde.
Het Hof bevestigt dat de boekjaarwijziging met toepassing van het leerstuk fraus legis moet worden genegeerd, waardoor belanghebbende vanaf 1 april 2000 zelfstandig belastingplichtig was en de exitheffing terecht werd opgelegd over de ongerealiseerde koerswinst tot 15 december 2000. Het Hof oordeelt dat deze heffing niet in strijd is met het toepasselijke belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk, dat de heffingsbevoegdheid toewijst aan de staat van vestiging.
Europese aspecten van de zaak betreffen de vrijheid van vestiging en de vrijheid van kapitaalverkeer. Het Hof erkent dat de exitheffing een belemmering vormt voor de vrijheid van vestiging, maar acht het gerechtvaardigd op grond van het territorialiteitsbeginsel met temporele component en het voorkomen van belastingontwijking. Het Hof wijst op arresten van het Hof van Justitie en de Europese Commissie die ruimte laten voor dergelijke heffingen mits proportioneel. Gezien de complexiteit en het belang van de Europese rechtsvragen heeft het Hof prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie.
Uitkomst: De exitheffing wordt bevestigd en de boekjaarwijziging genegeerd; prejudiciële vragen over Europees recht worden gesteld.