ECLI:NL:GHAMS:2010:BN5037

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.068.499
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:441 BWFaillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schuldenaar niet-ontvankelijk in hoger beroep wegens beschermingsbewind

Appellant heeft bij de rechtbank Utrecht verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek is afgewezen. Vervolgens stelde appellant zelf hoger beroep in tegen dit vonnis, terwijl over zijn goederen beschermingsbewind was ingesteld.

Op grond van artikel 1:441 lid 1 BW Pro vertegenwoordigt de beschermingsbewindvoerder de rechthebbende in en buiten rechte voor de onder bewind gestelde goederen. Omdat de schuldsaneringsregeling vrijwel alle goederen omvat, dient de beschermingsbewindvoerder formeel partij te zijn in procedures over deze regeling.

Het hof oordeelt dat appellant niet ontvankelijk is in het hoger beroep omdat het beroep niet door de beschermingsbewindvoerder is ingesteld. Een achteraf gedane verklaring van de bewindvoerder dat het hoger beroep namens hem is ingesteld, herstelt dit verzuim niet.

De mondelinge behandeling vond plaats op 19 augustus 2010, waarbij zowel appellant als zijn beschermingsbewindvoerder aanwezig waren. Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee het vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens het ontbreken van formele vertegenwoordiging door de beschermingsbewindvoerder.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
nevenzittingsplaats Arnhem
Sector civiel recht
zaaknummer 200.068.499
(zaaknummer rechtbank: 282049/FT-RK 10.147)
arrest van de eerste civiele kamer van 26 augustus 2010
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. P.G.M. Lodder te Utrecht.
1. Het geding in eerste aanleg
Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 15 maart 2010 is het verzoek van appellant (hierna te noemen: [appellant]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar voornoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.
2. Het geding in hoger beroep
2.1 Bij ter griffie van het hof op 22 maart 2010 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog in te willigen.
2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van de brieven met bijlage(n) van 23 maart 2010, 24 juni 2010, 2 juli 2010 en 15 juli 2010 van de advocaat van [appellant].
2.3 Nadat de zaak op verzoek van de advocaat van [appellant] enige tijd is aangehouden teneinde zich te kunnen beraden over een telefonisch door de griffier van dit hof opgeworpen ontvankelijkheidskwestie, heeft de advocaat bij brief van 10 juni 2010 verzocht het beroepschrift alsnog in behandeling te nemen. Bij deze brief is een schriftelijke verklaring gevoegd van [naam], de beschermingsbewindvoerder van [appellant] (gedateerd 28 mei 2010), waarin deze meedeelt dat het hoger beroep van [appellant] namens hem is ingesteld.
2.4 De mondelinge behandeling heeft daarop plaatsgevonden op 19 augustus 2010, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn advocaat. Voorts is verschenen de beschermingsbewindvoerder van [appellant], [naam] voornoemd.
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is gebleken dat bij beschikking van de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht, van 16 maart 2009 de goederen, die toebehoren of zullen toebehoren aan [appellant], onder bewind zijn gesteld.
3.2 Allereerst dient het hof te beoordelen of [appellant] ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep. Daartoe neemt het hof in aanmerking dat op grond van artikel 1:441 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek de (beschermings)bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt en zorgdraagt voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende.
Het hof overweegt dat de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, nader geregeld in de Faillissementswet, gevolgen heeft voor de goederen die aan degene op wie deze regeling is toegepast - de saniet - (zullen) toebehoren, in die zin dat de saniet niet langer de vrije beschikking houdt over alle hem of haar toebehorende goederen. Dit brengt met zich dat, indien tevens een beschermingsbewind is ingesteld over alle goederen, in procedures die betrekking hebben op de wettelijke schuldsaneringsregeling de beschermingsbewindvoerder dient op te treden als formele procespartij in plaats van de saniet, nu de schuldsaneringsrege-ling vrijwel alle onder bewind staande goederen van de rechthebbende betreft. Het vorenstaande betekent dat ook voor een procedure in hoger beroep, zoals de onderhavige, waarin wordt opgekomen tegen de afwijzing van de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, terwijl er een beschermingsbewind over alle gelden en goederen van de saniet is ingesteld, het rechtsmiddel dient te worden ingesteld door de beschermings-bewindvoerder. Omdat in de onderhavige zaak niet de beschermingsbewindvoerder namens [appellant] is opgetreden als formele procespartij, maar [appellant] zelf, bijgestaan door zijn advocaat, kan [appellant] niet worden ontvangen in het door hem ingestelde hoger beroep. Dat de beschermingsbewindvoerder in zijn brief van 28 mei 2010 achteraf verklaart dat het hoger beroep namens hem is ingesteld, herstelt dit verzuim niet.
4. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, A.A. van Rossum en S.B. Boorsma en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2010.