ECLI:NL:GHAMS:2010:BN7280
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- L.A.J. Dun
- A.E.M. Röttgering
- C.J.D. Waal
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken wettige en overtuigende bewijzen voor openbaarmaking in strijd met artikel 3b Opiumwet
Verdachte werd primair beschuldigd van het opzettelijk openbaarmaken van middelen als bedoeld in de Opiumwet door het verspreiden en in voorraad hebben van visitekaartjes met de naam, het logo en het internetadres van een coffeeshop, voorzien van een routebeschrijving.
De verdediging voerde niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan vanwege het ontbreken van duidelijke regelgeving omtrent het afficheren binnen het gedoogbeleid, maar dit werd door het hof verworpen. Het hof oordeelde dat het begrip "openbaarmaking" in artikel 3b Opiumwet niet zo ruim mag worden geïnterpreteerd dat de vermelding van alleen het woord coffeeshop en bijbehorende gegevens zonder enige relatie tot drugs al als verboden aanprijzing geldt.
Het hof concludeerde dat het openbaar maken van visitekaartjes met alleen de naam en adresgegevens van een coffeeshop niet gelijkgesteld kan worden aan het aanprijzen van drugs. Hierdoor was niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en verdachte werd vrijgesproken.
Daarnaast gelastte het hof de teruggave van de in beslag genomen visitekaartjes. De uitspraak benadrukt de scheiding tussen het strafrechtelijk verbod op aanprijzing van drugs en het gedoogbeleid met de AHOJG-criteria, waarbij het afficheren van een coffeeshop slechts summier is toegestaan.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor verboden openbaarmaking.