ECLI:NL:GHAMS:2010:BO0027
Gerechtshof Amsterdam
- Kort geding
- G.P.M. van den Dungen
- M.L. van der Bel
- W. Duitemeijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op hogere ontslagvergoeding ondanks wijziging severance policy door ABN AMRO
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of [X], voormalig werknemer van ABN AMRO, recht had op een hogere ontslagvergoeding en bonus over 2009 dan door ABN AMRO werd aangeboden. [X] baseerde zijn aanspraken op een retentiebrief van 21 februari 2008 waarin ABN AMRO toezeggingen deed over ontslagvergoedingen en bonussen, die volgens hem onvoorwaardelijk waren.
ABN AMRO stelde zich op het standpunt dat zij de severance policy eenzijdig mocht wijzigen vanwege de kredietcrisis, maatschappelijke druk en staatsinterventie, en dat [X] zich als goed werknemer aan deze wijziging moest conformeren. De bank beriep zich op artikelen 7:611, 7:613, 6:258 en 6:248 BW.
Het hof oordeelde dat de retentiebrief een bindende toezegging vormt die niet onder het wijzigingsbeding in de C&B Regulations valt. Hoewel sprake was van onvoorziene omstandigheden door de kredietcrisis, rechtvaardigde dit geen wijziging van de toezegging aan [X]. Het belang van [X] bij nakoming van de afspraak weegt zwaarder dan het belang van ABN AMRO bij wijziging. Het hof verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en compenseerde de proceskosten.
Uitkomst: ABN AMRO is gehouden een hogere ontslagvergoeding te betalen conform de oude severance policy, ondanks gewijzigde omstandigheden.