ECLI:NL:GHAMS:2010:BO5017
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over onredelijk bezwarend boetebeding en zekerheidstelling in huurzaken
In deze zaak verhuurde [ Geïntimeerde ] een woning aan [ Appellanten ] voor de periode van december 2005 tot mei 2007. [ Appellanten ] betaalden de huur tot juni 2006, maar daarna niet meer en verlieten de woning in augustus 2006. De verhuurder vorderde betaling van achterstallige huur, een contractuele boete, incassokosten en rente.
De kantonrechter veroordeelde [ Appellanten ] tot betaling en stelde zekerheid voor proceskosten op grond van artikel 224 Rv Pro. [ Geïntimeerde ] stelde de zekerheid echter niet tijdig, maar later alsnog. [ Appellanten ] lieten hun verweer tegen de vordering grotendeels achterwege, waardoor de kantonrechter de vordering toewijsde.
In hoger beroep betwistten [ Appellanten ] de niet-ontvankelijkheid van [ Geïntimeerde ] wegens niet tijdige zekerheidstelling en voerden zij inhoudelijk verweer tegen de vordering. Het hof oordeelde dat de rechter niet ambtshalve hoeft te onderzoeken of zekerheid is gesteld en dat het boetebeding van € 25 per dag onredelijk bezwarend is naast de 1% maandelijkse rente. Ook wees het hof de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten af wegens onvoldoende specificatie.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde [ Appellanten ] tot betaling van € 5.625 plus rente, wees het meerdere af en compenseerde de proceskosten tussen partijen.
Uitkomst: Het hof veroordeelt [ Appellanten ] tot betaling van € 5.625 met rente, vernietigt het boetebeding en wijst incassokosten af wegens onvoldoende specificatie.