ECLI:NL:GHAMS:2010:BP1016
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging binding aan effectenleaseovereenkomst ondanks ontbreken opt-outverklaring
Appellant sloot in oktober 1999 een effectenleaseovereenkomst met Dexia en beëindigde deze in juni 2007. Hij betaalde gedurende de looptijd € 6.136,13 en ontving bij beëindiging € 1.424,44, vanwege een hogere verkoopopbrengst van de geleaste effecten dan zijn resterende schuld. Dexia had een overeenkomst met de Duisenberg-regeling laten verbindend verklaren.
Appellant stelde dat hij tijdig, door het uitbrengen van een dagvaarding vóór het verstrijken van de opt-outtermijn, kenbaar had gemaakt niet aan de overeenkomst gebonden te willen zijn. Het hof oordeelde dat artikel 7:908 lid 2 BW Pro geen ruimte biedt voor een andere wijze van kenbaarmaking dan voorgeschreven in de overeenkomst. De dagvaarding maakte appellant niet ontslagen van zijn verplichtingen.
Verder wees het hof het beroep op artikel 17 Grondwet Pro af vanwege artikel 120 Grondwet Pro en vond geen schending van artikel 6 EVRM Pro, omdat de wettelijke regeling inzake massaschade voldoende waarborgt dat beleggers gehoord worden. Ook de stelling dat de overeenkomst onvoldoende vergoeding biedt, werd verworpen omdat het hof eerder had geoordeeld dat het ontbreken van vergoeding in sommige gevallen niet onredelijk is.
Het bewijsaanbod van appellant werd gepasseerd wegens gebrek aan concrete feiten die tot een andere beslissing zouden leiden. Het hof verklaarde appellant niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis, bekrachtigde het eindvonnis en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het eindvonnis en verklaart appellant gebonden aan de effectenleaseovereenkomst zonder ontvankelijkheid in hoger beroep tegen het tussenvonnis.