ECLI:NL:GHAMS:2011:BP0310

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.076.895/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 5 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens overschrijding beroepstermijn na herstelbeslissing rechtbank

Appellant is in hoger beroep gekomen tegen een beslissing van de rechtbank Amsterdam inzake een betalingsvordering van geïntimeerde. De rechtbank had een kennelijke fout gemaakt door de verkeerde partij te veroordelen tot betaling, welke fout bij de herstelbeslissing werd gecorrigeerd.

Appellant stelde dat hij geen belang had bij hoger beroep omdat de veroordeling was gecorrigeerd, maar het hof oordeelde dat appellant rekening had moeten houden met de verbetering. Het hoger beroep was niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden ingesteld.

Het hof stelde vast dat tegen de herstelbeslissing geen rechtsmiddel openstaat volgens artikel 31 lid 5 Rv Pro, tenzij uitzonderlijke gronden worden aangevoerd, wat niet het geval was. Daarom verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep en legde de proceskosten aan appellant op.

Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn na herstelbeslissing rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
ELFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
[Appellant],
wonend te [ A ],
APPELLANT,
advocaat: mr. T.P. Schut, te Amsterdam,
t e g e n
de naamloze vennootschap
LIANDER N.V.,
voorheen N.V. CONTINUON NETBEHEER,
gevestigd te Arnhem,
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. J.G. Keizer, te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
Bij exploot van 30 september 2010 is appellant in hoger beroep gekomen van een beslissing van de ¬rechtbank Amsterdam van
30 juni 2010, in deze zaak onder zaak-/rolnum¬mer 435205/HA ZA 09-2510 tussen partijen gegeven, met dagvaarding van geïntimeerde voor dit hof tegen de roldatum 12 oktober 2010.
Het dagvaardingsexploot is niet tijdig ter griffie ingediend.
Bij herstelexploot van 26 oktober 2010 heeft appellant geïntimeerde opnieuw opgeroepen, tegen de roldatum 9 november 2010. De zaak is op die datum bij het hof aangebracht.
Bij rolbeslissing van 11 november 2010 is appellant in de gelegenheid gesteld zich op de rol bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep.
Appellant heeft een akte genomen.
Geïntimeerde heeft bij akte geantwoord.
Arrest is bepaald op heden.
2. Ontvankelijkheid
2.1 Geïntimeerde heeft in eerste aanleg de veroordeling van appellant gevorderd, kort gezegd, tot betaling van € 7.572,62 met rente en kosten. De rechtbank heeft bij vonnis van
10 maart 2010 overwogen dat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van € 7.507,62, met rente. In het dictum onder 5.2 is echter geïntimeerde in plaats van appellant veroordeeld tot betaling van dat bedrag. Bij de beslissing waarvan beroep heeft de rechtbank op verzoek van geïntimeerde die fout verbeterd.
2.2 Gelet op hetgeen de rechtbank bij het vonnis van 10 maart 2010 heeft overwogen, was de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van € 7.507,62 aan appellant een kennelijke fout, die zich voor eenvoudig herstel leende. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank heeft de kennelijke fout verbeterd bij de beslissing waarvan beroep. Tegen die verbetering staat ingevolge artikel 31 lid 5 Rv Pro geen voorziening open. Er zijn geen gronden aangevoerd die dit rechtsmiddelenverbod kunnen doorbreken.
2.3 Voor zover appellant heeft beoogd hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 10 maart 2010, geldt dat het beroep niet is ingesteld binnen de beroepstermijn van drie maanden. De beslissing van 30 juni 2010 heeft geen wijziging gebracht in de beroepstermijn.
2.4 Appellant heeft nog aangevoerd dat hij geen belang had bij een hoger beroep tegen het vonnis van 10 maart 2010 omdat niet hij maar geïntimeerde tot betaling was veroordeeld. Dit betoog kan hem niet baten. Aangezien sprake was van een kennelijke fout, had appellant rekening behoren te houden met de verbetering daarvan.
2.5 De conclusie is dat appellant niet in het hoger beroep kan worden ontvangen.
2.6 De kosten van het hoger beroep komen ten laste van appellant als de in het ongelijk gestelde partij.
3. Beslissing
Het hof:
verklaart appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
verwijst appellant in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van geïntimeerde gevallen, op € 640,- voor verschotten en op
€ 316,- voor salaris van de advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, W.J. van den Bergh en G.C.C. Lewin en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 11 januari 2011.