ECLI:NL:GHAMS:2011:BP5402
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beperkte uitoefening recht van overweg belemmert niet behoorlijke exploitatie ponyrijschool
In deze civiele zaak stond de uitoefening van een recht van overweg centraal, waarbij appellant sub 2 een ponyrijschool exploiteert en pony's dagelijks over het perceel van geïntimeerde worden geleid. De rechtbank had beperkingen opgelegd aan de wijze van uitoefening van dit recht, welke appellanten aanvochten in hoger beroep.
Appellanten stelden dat zij het recht van overweg te goeder trouw en langdurig op een bepaalde wijze hadden uitgeoefend en dat de beperkingen de exploitatie van de ponyrijschool ernstig belemmerden. Het hof oordeelde echter dat appellanten onvoldoende concreet hadden gesteld op welke wijze zij het recht hadden uitgeoefend en waarom de beperkingen redelijkerwijs in de weg zouden staan aan een behoorlijke exploitatie.
Het hof stelde vast dat het mogelijk is om de pony's aan de hand te begeleiden en dat het inschakelen van kinderen en ouders voor het brengen en halen van pony's binnen de gestelde grenzen mogelijk is. Ook achtte het hof het niet aannemelijk dat educatief verantwoorde ponyrijlessen hierdoor onmogelijk zouden zijn. De klachten over het sluiten van schrikdraadlijnen en parkeerbeperkingen werden eveneens verworpen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellanten in de kosten van het hoger beroep. De grieven van appellanten werden verworpen omdat zij niet aan hun stelplicht hadden voldaan en onvoldoende bewijs hadden geleverd voor hun betoog.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en verwierp de grieven van appellanten tegen de beperkingen aan het recht van overweg.