Naar ’s Hofs oordeel kan belanghebbende uit de Leidraad redelijkerwijs niet afleiden dat ingeval een kap als de onderhavige wordt aangebracht sprake blijft van een motorrijtuig met open laadbak. De toelichting in de Leidraad is geheel in overeenstemming met de jurisprudentie, zoals vermeld onder 6.3. Aan de Leidraad kan niet het in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend dat met het aanbrengen van de onderhavige overkapping nog steeds sprake is van een motorrijtuig met open laadbak. Ook in zoverre faalt het beroep van belanghebbende.
6.5. Belanghebbende doet voorts een beroep op het herstelbeleid als verwoord in de Leidraad. In de Leidraad is hierover voor zover hier van belang het volgende opgenomen:
“ § 2.4.2. (…)
B. Geen herstelmogelijkheid
Voor bepaalde afwijkingen van de inrichtingseisen voor bestelauto’s wordt geen herstel geboden. Als één of meer van de hierna te noemen afwijkingen van de inrichtingseisen worden geconstateerd moet steeds worden nageheven.
a. De laadruimte voldoet niet aan de fiscale maten.”
De laadruimte met de overkapping heeft in casu een hoogte van 106 cm en voldoet derhalve niet aan de in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, onder 1º van de Wet MRB gestelde hoogte-eis van ten minste 130 cm. Het bepaalde in § 2.4.2 van de Leidraad staat er dan aan in de weg dat belanghebbende een beroep kan doen op het daarin opgenomen herstelbeleid.
6.6. Belanghebbende stelt dat door de RDW het beleid wordt gevoerd dat ingeval een bedrijfswagen met een open laadbak wordt voorzien van een overkapping als de onderhavige (een polyester overkapping) het motorrijtuig wordt beoordeeld “als zonder deze overkapping”, indien – zoals in casu het geval is – de kap eenvoudig en zonder gebruik van gereedschap kan worden verwijderd. Belanghebbende heeft in dit verband de twee onder 2.7. en 2.8. vermelde verklaringen van B en C overgelegd. Hij acht de inspecteur aan dit beleid gebonden.
6.7. Nog daargelaten wat er zij van de gevolgen van deze stelling omdat belanghebbende het motorrijtuig tweedehands heeft gekocht en niet weet in welke staat het motorrijtuig is gekeurd, geldt het volgende. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende de stelling inzake het beleid van de RDW, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof overweegt in dit verband dat B ter zitting desgevraagd heeft erkend dat hij de instructie BPM niet kent, dat hij nooit heeft gekeurd in Nieuwegein, dat hij nooit een motorrijtuig met een kap als de onderhavige heeft gekeurd en dat de inspecteur heeft verklaard dat de RDW met grote regelmaat wordt voorgelicht over de fiscale eisen die worden gesteld aan bestelauto’s, onder meer door middel van het verstrekken van een “Instructie BPM”. De verklaring van C doet daar, nog daargelaten dat deze verklaring op een andere belanghebbende ziet, gelet op het vorenoverwogene niet aan af.
6.8. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de boete niet terecht is opgelegd. Dienaangaande geldt dat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De inspecteur heeft de boete, met in achtneming van § 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, vastgesteld op het belopen bedrag. Belanghebbende stelt dat sprake is van een onderwerp dat voor een leek niet meer te begrijpen is. De ingewikkeldheid van regelgeving vormt echter geen reden om de boete te matigen. Er is ook geen sprake van foutieve inlichtingen door de RDW verstrekt. Het Hof is van oordeel dat de boete niet in strijd is met enige wettelijke bepaling dan wel beginsel van behoorlijk bestuur. Ook overigens acht het Hof de boete passend en geboden.