ECLI:NL:GHAMS:2011:BP6115
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging belastingheffing over vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag
Belanghebbende was sinds 1996 in dienst bij Stichting A en kreeg te maken met een burn-out, waarna de arbeidsovereenkomst in 2003 werd beëindigd met toestemming van het CWI. De voormalige werkgever betaalde een vergoeding van € 84.500 wegens kennelijk onredelijk ontslag, bevestigd door de kantonrechter in een compromis.
Belanghebbende stelde dat een deel van deze vergoeding een onbelaste compensatie betrof voor verlies aan arbeidscapaciteit en immateriële schade door de werksituatie en ziekte. Verklaringen van een voormalige collega, de werkgever en rechtsbijstand werden ingediend ter onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat de vergoeding als loon uit vroegere dienstbetrekking belastbaar is, omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat het bedrag deels een immateriële schadevergoeding of compensatie voor verlies aan arbeidscapaciteit betrof. Het Hof bevestigde dit oordeel en overwoog dat het causaal verband tussen werksituatie en arbeidsongeschiktheid niet automatisch leidt tot een andere fiscale kwalificatie van de vergoeding.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing werd op 17 februari 2011 door het Hof uitgesproken.
Uitkomst: Het Hof bevestigt dat de vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag als belast loon moet worden aangemerkt.