ECLI:NL:GHAMS:2011:BP6532
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- W.J. van den Bergh
- R.J.M. Smit
- R.M. Beltzer
- Rechtspraak.nl
Duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen meerderjarige zoon en overleden moeder bevestigd
De moeder van de meerderjarige zoon huurde sinds 1999 een woning van de woningcorporatie, waarin zij samen met haar zoon en dochter woonde. Na het plotselinge overlijden van de moeder in mei 2009, verzocht de zoon de woningcorporatie om de huurovereenkomst voort te zetten. De woningcorporatie weigerde dit, waarna de zoon de kantonrechter inschakelde op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro.
De kantonrechter stelde vast dat de zoon en zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden, mede op basis van diverse schriftelijke verklaringen van familie, buren en kennissen die het teruggetrokken karakter van de zoon en de hechte band met zijn moeder bevestigden. De woningcorporatie betwistte deze verklaringen onvoldoende gemotiveerd.
Het hof oordeelde dat de zoon voldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en dat de woningcorporatie dit niet effectief had betwist. Ook het feit dat de moeder de woningcorporatie niet had verzocht om de zoon als medehuurder aan te merken, deed hieraan niet af. De weigering van een aangeboden passende woning door de zoon leidde niet tot onaanvaardbaarheid van zijn beroep op voortzetting van de huur.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de woningcorporatie tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de zoon een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met zijn moeder en wijst zijn vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst toe.