ECLI:NL:GHAMS:2011:BP8861
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.H. Huijzer
- A.S. Arnold
- J. Wortel
- Rechtspraak.nl
Verjaringstermijn van twintig jaar geldt voor tenuitvoerlegging verstekvonnis tot betaling geldsom ineens
Appellant sloot in 1991 een geldleningsovereenkomst met ING en kwam in gebreke met zijn betalingsverplichtingen. Bij verstekvonnis van 11 juni 1997 werd appellant veroordeeld tot betaling van een geldsom aan ING. In 2006 legde ING executoriaal beslag op de bijstandsuitkering van appellant. Appellant stelde dat de vordering verjaard was en dat het beslag onrechtmatig was, en vorderde opheffing van het beslag en schadevergoeding.
De rechtbank wees deze vorderingen af en veroordeelde appellant in de proceskosten. In hoger beroep stelde appellant dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging was verjaard op grond van artikel 3:324 lid 3 BW Pro, dat een verjaringstermijn van vijf jaar hanteert. Het hof oordeelde dat dit niet van toepassing is omdat het verstekvonnis een geldsom ineens betreft, waarvoor de twintigjarige verjaringstermijn van artikel 3:324 lid 1 BW Pro geldt.
Verder verwierp het hof het bewijsaanbod van appellant over mondelinge afspraken, omdat appellant deze niet concreet had gemaakt. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het hoger beroep van appellant af.