ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ0899
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat ontbreken vergunning niet leidt tot nietigheid vermogensbeheerovereenkomst
Appellanten, bestaande uit een natuurlijk persoon en zijn vennootschap, sloten vanaf 1997 diverse overeenkomsten met Merrill Lynch voor vermogensbeheer. Merrill Lynch beschikte echter niet over de vereiste vergunning zoals voorgeschreven in art. 7 Wet Pro toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995). Appellanten vorderden terugbetaling van betaalde bedragen op grond van de vermeende ongeldigheid van de overeenkomsten.
De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van de vergunning niet automatisch leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid van de overeenkomst. Het hof bevestigt dit oordeel en overweegt dat het dwingende karakter van het vergunningsvereiste niet zonder meer civielrechtelijke gevolgen zoals nietigheid meebrengt. Hierbij wordt gewezen op art. 1:23 Wet Pro op het financieel toezicht (Wft), dat expliciet bepaalt dat rechtshandelingen die in strijd zijn met de wet niet automatisch aantastbaar zijn.
Het hof benadrukt dat het onderzoek naar de strekking van het geschonden voorschrift en de gevolgen van ongedaanmaking essentieel is. Gezien de complexiteit en de mogelijke disproportionele nadelige gevolgen van vernietiging in de financiële markten, acht het hof het niet passend om de overeenkomst te vernietigen. Het beroep van appellanten wordt daarom ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat het ontbreken van een vergunning niet leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid van de vermogensbeheerovereenkomst en wijst het beroep van appellanten af.