ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ1154
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen onrechtmatig afgebroken onderhandelingen over verkoop jachthaven en bevestiging Poot/ABP-criterium
Partijen onderhandelden in 2003 over de overname van een jachthaven geëxploiteerd door Yachting Sirius B.V., waarvan appellant bestuurder en enig aandeelhouder was. Er werd onderzocht of een aandelentransactie of activatransactie de voorkeur had, maar er was geen overeenstemming over alle wezenlijke punten.
Appellant stelde dat er een mondelinge koopovereenkomst was en dat geïntimeerde de onderhandelingen onrechtmatig had afgebroken, maar het hof oordeelde dat onvoldoende was gesteld om dit te onderbouwen. De onderhandelingen waren afhankelijk van nog te leveren gegevens en de bereidheid tot voortzetting was aanwezig.
Verder werd een cessie van vorderingen aan appellant betwist wegens het ontbreken van tijdige mededeling aan geïntimeerde, waardoor appellant geen rechten kon ontlenen aan de vorderingen van Yachting Sirius. Het hof bevestigde het Poot/ABP-arrest dat aandeelhouders in beginsel geen eigen vordering kunnen instellen voor schade door waardevermindering van aandelen, tenzij sprake is van een bijzondere zorgvuldigheidsnorm jegens de aandeelhouder, wat hier niet was aangetoond.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellant af wegens ontbreken van overeenkomst en ongeldige cessie.