ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ6323
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden en gevolgen voor WW-uitkering
Appellanten waren in dienst bij SHL Nederland B.V. en hun functies kwamen te vervallen door een reorganisatie. SHL verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomsten per 1 juli 2008, maar partijen bereikten geen overeenstemming over beëindiging met wederzijds goedvinden. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomsten per 22 juli 2008 met een vergoeding.
Appellanten vroegen een WW-uitkering aan, maar het UWV kende deze pas toe vanaf 1 september 2008, omdat het dienstverband formeel pas op 22 juli 2008 was beëindigd. Appellanten stelden dat de arbeidsovereenkomsten feitelijk met wederzijds goedvinden per 1 juli 2008 waren geëindigd, wat gevolgen had voor de aanvang van de WW-uitkering.
Het hof oordeelde dat er wel degelijk wilsovereenstemming bestond over beëindiging met wederzijds goedvinden per 1 juli 2008, ondanks het ontbreken van ondertekening door SHL en het later indienen van ontbindingsverzoeken. De ontbindingsbeschikking van de kantonrechter had geen invloed op de reeds geëindigde arbeidsovereenkomst. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde appellanten in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst het hoger beroep af.