ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ6858

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.084.711/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 421 lid 4 Wetboek van StrafvorderingArt. 125-127 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 343 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 353 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benadeelde partij in strafzaak stelt hoger beroep en hof wijst procedurele vereisten aan

In deze zaak heeft een benadeelde partij in een strafzaak hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn vordering door de kantonrechter. De strafzaak betrof een veroordeling wegens overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof overweegt dat de benadeelde partij op grond van artikel 421 lid 4 Sv Pro in hoger beroep kan komen tegen het deel van het vonnis waarbij zijn vordering is afgewezen, ook als verdachte en officier van justitie geen hoger beroep hebben ingesteld. Het hof wijst erop dat het hoger beroep volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet worden ingesteld, met inachtneming van de vereisten van art. 343 en Pro 353 Rv.

Het hof stelt de benadeelde partij in de gelegenheid om zich tot een advocaat te wenden en de geïntimeerde per exploot op te roepen. De ontvankelijkheid van het hoger beroep zal het hof pas beoordelen nadat de geïntimeerde deugdelijk is opgeroepen en eventueel zijn standpunt heeft kunnen geven.

De zaak wordt verwezen naar de rol van 7 juni 2011 voor het verdere verloop van de procedure. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan totdat aan deze procedurele vereisten is voldaan.

Uitkomst: Het hof houdt de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan en verwijst de zaak naar de rol van 7 juni 2011 voor het voldoen aan procedurele vereisten.

Uitspraak

zaaknummer 200.084.711/01
10 mei 2011
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
ELFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
BESCHIKKING
in de zaak van:
[ APPELLANT ],
wonende te [ A ],
APPELLANT,
thans niet in rechte vertegenwoordigd,
t e g e n
[ GEÏNTIMEERDE ],
wonende te [ A ],
GEÏNTIMEERDE,
niet verschenen.
1. Het geding in hoger beroep
De partijen worden hierna [ Appellant ] en [ Geïntimeerde ] genoemd.
Op 29 november 2010 is ter griffie van de rechtbank Amsterdam een brief van [ Appellant ] binnengekomen waarin hij verklaart als benadeelde partij hoger beroep in te stellen tegen het door de kantonrechter in die rechtbank gewezen eindvonnis van 25 oktober 2010 in de strafzaak tegen [ Geïntimeerde ] met parketnummer 13/715591-09. De griffier van de rechtbank heeft hiervan akte opgemaakt.
De rechtbank heeft de stukken van het geding naar dit hof gezonden.
2. Beoordeling
2.1 In de strafzaak tegen [ Geïntimeerde ] met parketnummer
13/7155591-09 heeft [ Appellant ] zich gevoegd als benadeelde partij met een vordering van € 1.991,45, te vermeerderen met wettelijke rente. Bij het bestreden vonnis van
25 oktober 2010 heeft de kantonrechter [ Geïntimeerde ] tot straf veroordeeld wegens overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. De vordering van [ Appellant ] heeft hij afgewezen. Tegen die afwijzing is het hoger beroep gericht.
2.2 Ingevolge artikel 421 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan, indien de verdachte en de officier van justitie geen hoger beroep hebben ingesteld, de benadeelde partij in hoger beroep komen tegen het deel van het vonnis waarbij haar vordering is afgewezen. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) inzake het rechtsgeding in hoger beroep zijn van overeenkomstige toepassing.
2.3 Een hoger beroep als het onderhavige kan niet worden ingediend volgens de regels van art. 449-451 Sv. Ingevolge artikel 343 Rv Pro had het hoger beroep moeten worden ingesteld bij appeldagvaarding. Ingevolge art. 353 Rv Pro kunnen partijen slechts bij advocaat procederen.
2.4 Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol van
7 juni 2011. Op die datum kan de zaak worden aangebracht overeenkomstig de regels van art. 125-127 Rv jo. hoofdstuk 3 van het Landelijk Procesreglement. Dit houdt in dat [ Appellant ] zich tot een advocaat zal dienen te wenden teneinde te bewerkstelligen dat [ Geïntimeerde ] per exploot wordt opgeroepen en dat zich in dit geding een advocaat stelt. Over de ontvankelijkheid van [ Appellant ] in het hoger beroep kan het hof pas beslissen nadat [ Geïntimeerde ] deugdelijk is opgeroepen en, indien hij in het geding verschijnt, de gelegenheid heeft gekregen zijn standpunt daarover naar voren te brengen.
3. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 7 juni 2011 voor het hiervoor onder rov. 2.4 omschreven doel;
draagt de griffier op een afschrift van deze beslissing toe te zenden naar:
[ Appellant ], [ adres ], [ postcode ] [ woonplaats ];
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. W.J.J. Los,
W.J. van den Bergh en G.C.C. Lewin en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 10 mei 2011.