ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ6858
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Benadeelde partij in strafzaak stelt hoger beroep en hof wijst procedurele vereisten aan
In deze zaak heeft een benadeelde partij in een strafzaak hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn vordering door de kantonrechter. De strafzaak betrof een veroordeling wegens overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Het hof overweegt dat de benadeelde partij op grond van artikel 421 lid 4 Sv Pro in hoger beroep kan komen tegen het deel van het vonnis waarbij zijn vordering is afgewezen, ook als verdachte en officier van justitie geen hoger beroep hebben ingesteld. Het hof wijst erop dat het hoger beroep volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet worden ingesteld, met inachtneming van de vereisten van art. 343 en Pro 353 Rv.
Het hof stelt de benadeelde partij in de gelegenheid om zich tot een advocaat te wenden en de geïntimeerde per exploot op te roepen. De ontvankelijkheid van het hoger beroep zal het hof pas beoordelen nadat de geïntimeerde deugdelijk is opgeroepen en eventueel zijn standpunt heeft kunnen geven.
De zaak wordt verwezen naar de rol van 7 juni 2011 voor het verdere verloop van de procedure. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan totdat aan deze procedurele vereisten is voldaan.
Uitkomst: Het hof houdt de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan en verwijst de zaak naar de rol van 7 juni 2011 voor het voldoen aan procedurele vereisten.