ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8052
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
De zaak betreft het hoger beroep van [Appellante] tegen de afwijzing door de rechtbank van haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling op grond van artikel 288 lid 1 sub b en Pro c van de Faillissementswet.
[Appellante] was enig aandeelhouder van een B.V. die failliet is verklaard. De bedrijfsvoering was grotendeels overgelaten aan haar toenmalige partner, die veroordeeld is voor belastingfraude. De curator stelde [Appellante] aansprakelijk voor het faillissementstekort vanwege bestuursnalatigheid en een nalatige bedrijfsvoering zonder inzichtelijke administratie.
Hoewel [Appellante] in een strafrechtelijke procedure is vrijgesproken, oordeelt het hof dat zij als zelfstandig ondernemer verantwoordelijk was voor de bedrijfsvoering en het ontstaan van de schulden. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij te goeder trouw was bij het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden.
Ook haar psychische problematiek en behandeling bieden onvoldoende grond voor toelating. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot schuldsanering af.
Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw.