ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8054
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende bewijs van goede trouw en inkomensterugval
Appellant, een 58-jarige man en voormalig directeur-grootaandeelhouder, verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een hoge schuld, waaronder aanzienlijke achterstallige alimentatie. Hij stelde dat zijn inkomen sinds 2007 aanzienlijk was gedaald door gezondheidsproblemen en dat hij niet meer in staat was te werken zoals voorheen.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd om zijn beweringen te staven. Een enkele verklaring van zijn huisarts was onvoldoende om de noodzakelijke inkomensterugval aannemelijk te maken, en er ontbrak objectieve documentatie over zijn ziekte en arbeidsongeschiktheid. Ook gaf appellant geen inzicht in het ontstaan van een schuld aan de Belastingdienst.
Gelet op het ontbreken van bewijs dat appellant te goeder trouw was bij het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, en het ontbreken van aannemelijkheid dat hij zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zou nakomen, wees het hof het verzoek af. De beslissing van de rechtbank Alkmaar werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van goede trouw en noodzakelijke inkomensterugval.