ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8062
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afzonderlijke griffierechten bij gesplitste echtscheidingsprocedures
In deze zaak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld tegen twee afzonderlijke beslissingen van de rechtbank Amsterdam, waarbij de boedelscheiding en afwikkeling van huwelijkse voorwaarden was afgesplitst van de hoofdzaak van de echtscheiding en nevenvoorzieningen. De rechtbank had de boedelscheiding afgesplitst en een eigen rekestnummer toegekend, waardoor een aparte procedure ontstond.
Verzoekers maakten bezwaar tegen het heffen van twee keer griffierecht voor deze twee hoger beroepen, stellende dat dit onrechtvaardig was omdat beide beroepen betrekking hadden op dezelfde eerste aanleg zaak. Het hof oordeelde echter dat het uitgangspunt is dat voor elk verzoekschrift griffierecht wordt geheven, tenzij het verzoekschrift in de loop van een aanhangig geding wordt ingediend en daarop betrekking heeft.
Omdat hier sprake was van twee afzonderlijke beroepen tegen verschillende beslissingen en dus verschillende gedingen, was het gerechtvaardigd om voor elk beroep afzonderlijk griffierecht te heffen. Het hof verklaarde het verzet tegen het tweede griffierecht ongegrond en handhaafde de beslissing van de griffier.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 4 lid 2 onder Pro e van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) en bevestigt dat gesplitste procedures afzonderlijk griffierecht vergen, ook als zij voortkomen uit dezelfde eerste aanleg zaak.
Uitkomst: Het hof verklaart het verzet ongegrond en bevestigt dat voor ieder afzonderlijk hoger beroep griffierecht verschuldigd is.