ECLI:NL:GHAMS:2011:BR1236
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging redelijke schatting nalatenschapsaanslagen in hoger beroep
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vraag centraal of de aanslagen in het recht van successie correct waren vastgesteld. De inspecteur had de waarde van de nalatenschap ambtshalve geschat, omdat belanghebbenden geen aangifte hadden gedaan. De belanghebbenden stelden dat de waarde van de nalatenschap lager was dan door de inspecteur geschat, onder meer vanwege een te lage verkoopprijs van de onderneming kort na het overlijden.
De rechtbank had de beroepen van de belanghebbenden ongegrond verklaard en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof stelt dat de belanghebbenden onvoldoende bewijs hebben geleverd om aan te tonen dat de aanslagen te hoog zijn. De waarde van de onderneming moet worden bepaald op het moment van overlijden, en de lagere verkoopprijs daarna is daarvoor niet relevant.
Verder oordeelt het hof dat kosten die na het overlijden zijn gemaakt voor de afwikkeling van de nalatenschap niet in mindering kunnen worden gebracht. Ook de stelling dat de waarde van de onbekende baten te hoog is, is niet onderbouwd. Het hof concludeert dat de inspecteur een redelijke schatting heeft gemaakt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de aanslagen in het recht van successie redelijk zijn vastgesteld en verklaart de hoger beroepen ongegrond.