ECLI:NL:GHAMS:2011:BR1597
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen naheffingsaanslag en boetebeschikking motorrijtuigenbelasting
Belanghebbende was houder van een personenauto van 10 juli 2009 tot en met 1 november 2009. De inspecteur legde een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting op over de periode 26 augustus 2009 tot en met 25 november 2009, met een boetebeschikking wegens niet-tijdige betaling. De rechtbank had de naheffingsaanslag verminderd tot 26 augustus tot 31 oktober 2009 en de boete vernietigd wegens afwezigheid van alle schuld (avas).
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de auto ten onrechte op zijn naam was gesteld zonder zijn medeweten. Het hof oordeelde dat de tenaamstelling niet zonder medeweten van belanghebbende kon zijn gebeurd en dat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de fout buiten zijn toedoen was ontstaan. De naheffingsaanslag was daarom terecht opgelegd.
Verder oordeelde het hof dat de rechtbank ten onrechte het tijdvak van de naheffingsaanslag had verminderd; de wet voorziet niet in wijziging van het tijdvak, maar in een teruggaaf voor het niet-verstreken deel, die reeds was verleend. De boete was passend en geboden omdat belanghebbende meerdere keren in verzuim was geweest en geen sprake was van avas.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond, waarbij het beroep en het incidenteel hoger beroep werden afgewezen. De proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard; de naheffingsaanslag en boetebeschikking motorrijtuigenbelasting zijn terecht opgelegd.