ECLI:NL:GHAMS:2011:BR2125
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.A. Dozy
- P.H. van Ginkel
- J.G.J. Rinkes
- Rechtspraak.nl
Verjaring en overgangsrecht bij arbeidsongeschiktheidsverzekering tussen appellant en ASR
Appellant had een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij ASR en vorderde onder meer een verklaring voor recht dat hij sinds 1 maart 2001 arbeidsongeschikt is en recht heeft op premievrijstelling en uitkeringen. ASR stelde verjaring in op grond van artikel 7:942 lid 2 BW Pro, met een verjaringstermijn van drie jaar, gerekend vanaf een brief van 29 april 2004. De rechtbank wees de vorderingen van appellant af wegens verjaring.
In hoger beroep werd het overgangsrecht besproken, waarbij het nieuwe verzekeringsrecht per 1 januari 2006 in werking trad met een verkorte verjaringstermijn van drie jaar. Het hof oordeelde dat het overgangsrecht met een uitsteljaar tot 1 januari 2007 geldt, waarna de nieuwe regeling van toepassing is. De stuitingsbrieven van appellant werden beoordeeld, waarbij het hof concludeerde dat de brief van 3 oktober 2006 niet door ASR was ontvangen en dus geen stuitende werking had.
Appellant voerde aan dat de verklaring voor recht geen nakomingsvordering betrof en dat de verjaring niet van toepassing was, maar dit werd verworpen. Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid (art. 75 Ow Pro) faalde, mede omdat appellant sinds begin 2002 juridische bijstand had. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vorderingen van appellant zijn verjaard en worden afgewezen; het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.