ECLI:NL:GHAMS:2011:BR4349

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.082.849
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.13 ProcesreglementArt. 1.15 ProcesreglementArt. 5.4 Procesreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens niet-dienen memorie van grieven

Appellante, N.V. Noordhollandsche van 1816 Schadeverzekeringsmaatschappij, kwam in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Alkmaar. Zij diende echter geen memorie van grieven in op de roldata 17 en 31 mei 2011. Geïntimeerde diende een verzoek tot peremptoirstelling/akte niet-dienen in, dat door het hof werd toegewezen.

Appellante voerde aan dat een griffiemedewerkster telefonisch aan haar secretaresse had medegedeeld dat er geen peremptoir stond geagendeerd en dat uitstel mogelijk was, maar het hof achtte dit niet aannemelijk. De beslissing tot akte niet-dienen was volgens het hof correct en berustte op juiste toepassing van het procesreglement.

Omdat appellante geen memorie van grieven had genomen, werd zij niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en veroordeeld in de proceskosten. Het hof wees het beroep op een eerdere HR-uitspraak af omdat hier geen sprake was van een administratieve vergissing.

De zaak werd verwezen naar de rol voor fourneren voor arrest, waarna het arrest werd gewezen op 28 juni 2011 door het hof in Amsterdam.

Uitkomst: Appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet indienen van de memorie van grieven en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

zaaknummer 200.082.849/01
28 juni 2011
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
ELFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
N.V. NOORDHOLLANDSCHE VAN 1816 SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ,
gevestigd te Oudkarspel,
APPELLANTE,
advocaat: mr. J. van Rhijn te Alkmaar,
t e g e n
de besloten maatschap
[X] ADVOCATEN,
gevestigd te Alphen aan den Rijn,
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. K.J. Nijman te Alphen aan den Rijn.
1. Het geding in hoger beroep
Bij dagvaarding van 11 februari 2011 is appellante in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 29 december 2010, in deze zaak onder zaak-/rolnummer 119974/HA ZA 10-474 gewezen.
De zaak is op de rol van 5 april 2011 verwezen naar de rol van 17 mei 2011 voor memorie van grieven.
Bij bericht van 19 april 2011 heeft geïntimeerde een "verzoek peremptoirstelling/akte niet-dienen" (H6-formulier) ingediend onder toezending van een kopie van een dienovereenkomstige schriftelijke aanzegging aan de advocaat van appellante tegen de roldatum 31 mei 2011.
Op 17 mei 2011 heeft appellante geen memorie van grieven genomen. Op 31 mei 2011 heeft appellante wederom geen memorie van grieven genomen. Op die datum is op de rol aangetekend "verval verleend" en is de zaak verwezen naar de rol van 16 juni 2011 voor fourneren voor arrest.
Bij faxbericht van 6 juni 2011 heeft mr. Van Rhijn de rolraadsheer verzocht de akte van niet-dienen terug te draaien en op korte termijn herstel toe te staan.
Bij faxbericht van 6 juni 2011 heeft mr. Nijman bericht
mr. Van Rhijn te hebben laten weten geen toestemming te verlenen voor indiening van dat verzoek. Bij faxbericht van 14 juni 2011 heeft mr. Van Rhijn zich gemotiveerd verzet tegen toewijzing van het verzoek.
Arrest is bepaald op heden.
2. Beoordeling
2.1 Gelet op het dictum van dit arrest kan bij gebrek aan belang in het midden blijven of art. 1.15 jo. 5.4 van het geldende procesreglement zich ertegen verzet dat het hof kennisneemt van het verzoek van mr. Van Rhijn.
2.1 Mr. Van Rhijn heeft gesteld dat een griffiemedewerkster van het hof telefonisch aan zijn secretaresse heeft medegedeeld dat er geen peremptoir met akte van niet-dienen stond geagendeerd op 31 mei 2011 en dat er nog nader uitstel mogelijk was tot 14 juni a.s. Op ambtshalve navraag van het hof heeft de desbetreffende griffiemedewerkster medegedeeld dat zij zich het telefoongesprek niet kan herinneren, dat zij zich niet kan voorstellen dat zij deze mededeling zou hebben gedaan, maar dat de secretaresse zegt zeker te weten dat de griffiemedewerkster een dergelijke mededeling heeft gedaan.
2.2 De aanzegging peremptoir/akte niet-dienen door geïntimeerde is regelmatig volgens de voorschriften van
art. 2.13 van het geldende procesreglement geschied en ingediend. Mr. Van Rhijn heeft niet toegelicht welke reden er geweest zou kunnen zijn om verder uitstel te verlenen. Een dergelijk uitstel is ook niet gevraagd. Mede gelet hierop acht het hof onvoldoende aannemelijk dat de griffiemedewerkster de gestelde mededeling heeft gedaan.
Op die grond kan de beslissing om akte niet-dienen te verlenen met betrekking tot de memorie van grieven dus niet worden herroepen.
2.3 Mr. Van Rhijn heeft een beroep gedaan op HR 1 mei 1998, NJ 1999, 563. Anders dan in die zaak het geval was, berust in dit geval de beslissing om akte niet-dienen te verlenen niet op een administratieve vergissing van de griffie en is evenmin sprake van een daarmee gelijk te stellen geval, maar berust de beslissing op correcte toepassing van het geldende procesreglement, waarmee appellante rekening had kunnen en moeten houden. Dat beroep faalt daarom.
2.4 Gelet op het voorgaande moet de beslissing om akte niet-dienen te verlenen juist worden geacht. Niet kan worden geoordeeld dat het op grond van een afweging van alle betrokken belangen en omstandigheden onaanvaardbaar zou zijn om aan de gegeven beslissing vast te houden.
2.5 Nu appellante niet van grieven heeft gediend en het recht daarop is vervallen, kan zij niet worden ontvangen in het hoger beroep. Appellante zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.
3. Beslissing
Het hof:
verklaart appellante niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de zijde van geïntimeerde gevallen, op € 1.769,- aan verschotten en € 447,- aan salaris van de advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los,
W.J. van den Bergh en G.C.C. Lewin en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 28 juni 2011.