ECLI:NL:GHAMS:2011:BR5794
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- L.A.J. Dun
- A.E.M. Röttgering
- J.A. Peters
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijkheid vervolging wegens bescherming artikel 31 Vluchtelingenverdrag
De verdachte, afkomstig uit Palestina, werd vervolgd wegens het gebruik van een vals reisdocument bij binnenkomst in Nederland. Zijn raadsman voerde aan dat verdachte als vluchteling valt onder artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag, dat strafsancties bij onrechtmatige binnenkomst verbiedt.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat het gebruik van het valse paspoort uitsluitend diende om Nederland binnen te komen en dat het verblijf in Griekenland en Italië niet tegen verdachte kon worden gebruikt. De vreemdelingenrechter achtte verdachte niet schuldig aan manifest bedrog en beëindigde de vreemdelingenbewaring.
Het hof overwoog dat het openbaar ministerie onvoldoende behoedzaam was door niet de statusdeterminatie af te wachten en te lichtvaardig tot vervolging over te gaan. Gezien de omstandigheden en de lopende asielprocedure acht het hof het niet evident dat verdachte niet onder de bescherming van artikel 31 valt Pro.
Daarom verklaarde het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging en vernietigde het vonnis van de rechtbank. Dit arrest bevestigt de beschermingsplicht van vluchtelingen tegen strafvervolging wegens illegale binnenkomst.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte wegens bescherming onder artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag.