ECLI:NL:GHAMS:2011:BR6252
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel en oplegging betalingsverplichting na gewoonteheling
De veroordeelde is veroordeeld voor gewoonteheling en betrokkenheid als heler bij meerdere diefstallen van cosmetische en drogisterijproducten bij diverse supermarkten in 2006. Het hof heeft in hoger beroep het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op basis van een steler-heler verhouding van 20%-80%, waarbij de totale opbrengst van de gestolen goederen €9.235,39 bedroeg.
De verdediging voerde aan dat de waardevermindering van een in beslag genomen en teruggegeven bestelbus in mindering gebracht moest worden op het ontnemingsbedrag, maar het hof verwierp dit omdat deze kosten niet in direct verband stonden met het gepleegde delict. Tevens werd een overschrijding van de redelijke termijn geconstateerd, maar deze werd verdisconteerd in het rentegenererende karakter van de uitgestelde betalingsverplichting.
Het hof legde de veroordeelde de verplichting op tot betaling van €7.350,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De betalingsverplichting werd niet gematigd wegens draagkracht, omdat niet aannemelijk was dat de veroordeelde niet aan deze verplichting kon voldoen. Het arrest vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht op basis van artikel 36e Wetboek van Strafrecht.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €7.350,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.