ECLI:NL:GHAMS:2011:BR6835
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over botsende huurrechten winkelruimte en toepassing art. 3:298 BW
In deze zaak staat de vraag centraal welke huurder aanspraak kan maken op het gebruik van een winkelruimte nadat twee huurovereenkomsten met betrekking tot dezelfde ruimte bestaan of hebben bestaan. [Appellant] stelt dat zijn huurovereenkomst met [geïntimeerden sub 1 en 2] nog steeds voortduurt en vordert terbeschikkingstelling van de ruimte, terwijl [geïntimeerden sub 1 en 2] en De Zakkendrager B.V. zich beroepen op beëindiging en opvolging.
De kantonrechter wees de vordering af omdat voorshands aannemelijk was dat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden was geëindigd. In hoger beroep erkende [appellant] dat De Zakkendrager sinds februari 2009 huurder is en dat hij pas in augustus 2010 contact zocht over zijn aanspraak. Het hof oordeelde dat de aanspraak van [appellant] geen goederenrechtelijk karakter heeft en dat de prioriteitsregel niet automatisch geldt.
Het hof paste analoog art. 3:298 BW Pro toe, waarbij het oudste recht in principe voorgaat, tenzij wet, aard van de rechten of redelijkheid en billijkheid anders bepalen. Gezien de omstandigheden, waaronder het tijdstip waarop De Zakkendrager op de hoogte kon zijn van de aanspraak van [appellant], de reeds betaalde huur en gemaakte kosten, achtte het hof het redelijk dat het recht van De Zakkendrager voorgaat. Dit betekent dat de aanspraak van [appellant] zich dient te beperken tot schadevergoeding.
De vordering tot terbeschikkingstelling werd afgewezen, en het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter. [Appellant] werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die uitvoerbaar bij voorraad werden verklaard.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering tot terbeschikkingstelling af.