ECLI:NL:GHAMS:2011:BT6870
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen tuchtrechtelijke berisping gerechtsdeurwaarders wegens beslaglegging
In deze zaak stond de tuchtrechtelijke klacht van klager tegen twee gerechtsdeurwaarders centraal, die beschuldigd werden van onrechtmatige beslaglegging op roerende zaken die aan klager toebehoorden, terwijl de dwangbevelen waren uitgevaardigd tegen zijn zoon.
Klager stelde dat de gerechtsdeurwaarders zonder onderzoek de dwangbevelen van het Centraal Justitieel Incassobureau hadden uitgevoerd en op een onbehoorlijke wijze beslag hadden gelegd, zonder voorafgaande aankondiging en op goederen die niet aan zijn zoon maar aan hemzelf toebehoorden.
De gerechtsdeurwaarders voerden aan dat zij een ministerieplicht hebben bij de tenuitvoerlegging van dwangbevelen en dat de boetes terecht op naam van de zoon stonden. Het hof oordeelde dat de klachten tegen de eerste appellant ongegrond waren omdat de feitelijke handelingen door een toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder waren verricht die niet onder diens verantwoordelijkheid viel.
Ten aanzien van de tweede appellant oordeelde het hof dat klager onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het duidelijk moest zijn dat hij eigenaar was van de beslagen goederen. Ook was het niet onredelijk dat zonder vooraankondiging beslag werd gelegd, gezien de situatie en eerdere aanmaningen. Het hof vernietigde de eerdere beslissing van de kamer en verklaarde de klacht ongegrond.
Uitkomst: Het hof vernietigt de eerdere berisping en verklaart de klacht tegen de gerechtsdeurwaarders ongegrond.