ECLI:NL:GHAMS:2011:BU6627

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.049.457
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 RvArt. 2:19 lid 5 BW
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek tot schorsing van het geding na ontbinding vennootschap

In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam het verzoek van een ontbonden besloten vennootschap tot schorsing van het geding beoordeeld. De vennootschap was op 29 september 2010 ontbonden en opgehouden te bestaan, maar blijft volgens artikel 2:19 lid 5 BW Pro voortbestaan voor vereffening. Het hof stelde dat de schorsing op grond van artikel 225 lid 1 Rv Pro alleen mogelijk is indien de zeggenschap over het procesbeleid overgaat op een ander, wat hier niet het geval was.

De vennootschap had geen belanghebbende status zoals vereist en had niet voldaan aan de eisen van een aanzegging tot schorsing, waaronder het vermelden van de nieuwe zeggenschap over het procesbeleid. De procedure werd daarom niet geschorst en de vennootschap werd veroordeeld in de proceskosten.

De zaak werd verwezen naar een roldatum voor verdere behandeling van het incidenteel appel. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2011.

Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van het geding door de ontbonden vennootschap wordt afgewezen en de vennootschap wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
Nevenzittingsplaats Arnhem
Sector civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.049.457
(zaaknummer rechtbank 605918)
arrest van de vijfde civiele kamer van 22 november 2011
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. B. van Nimwegen,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf X],
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. S. Karakaya-Pilavci.
1. Het geding in eerste aanleg en het eerder verloop van het geding in hoger beroep
Voor het geding in eerste aanleg en het verloop van het geding in hoger beroep wordt verwezen naar het tussenarrest van dit hof van 15 december 2009. Bij dat tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Op eenparig verzoek van de partijen heeft deze comparitie (na aanbrengen) geen doorgang gevonden. De partijen hebben ervoor gekozen om verder te procederen in hoger beroep.
2. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en in het incident
2.1 Bij memorie van grieven heeft [appellant] een aantal grieven tegen het tussen de partijen gewezen vonnis van 19 augustus 2009 aangevoerd en toegelicht en bewijs aangeboden. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de oorspronkelijke vordering van [bedrijf X] alsnog zal afwijzen en/of de oorspronkelijke vordering van [appellant] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [bedrijf X] in de kosten van beide instanties.
2.3 Bij haar memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, in de hoofdzaak heeft [bedrijf X], alvorens voor antwoord en grieven te concluderen, de schorsing van de door [appellant] jegens haar aanhangig gemaakte procedure verzocht. [bedrijf X] heeft daarbij een productie in het geding gebracht. [appellant] heeft niet gereageerd op dat verzoek.
2.4 Hierna hebben de partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald in het incident.
3. De motivering van de beslissing in het incident
3.1 Volgens het door [bedrijf X] overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel is [bedrijf X] op 29 september 2010 ontbonden. Op 11 oktober 2010 is geregistreerd dat de ontbonden vennootschap is opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 29 september 2010. Op 11 oktober 2010 is verder geregistreerd dat de onderneming is opgeheven met ingang van 29 september 2010.
3.2 Gelet op het voorgaande, gaat het hof ervan uit dat [bedrijf X] heeft bedoeld schorsing van het geding aan [appellant] aan te zeggen op grond van artikel 225 lid 1 onder Pro a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.). Ook wanneer wordt aangenomen dat zo’n aanzegging in een geval als het onderhavige - waarin geen sprake is van de dood van een partij, waarbij het immers om een natuurlijke persoon gaat - mogelijk is, is het hof van oordeel dat de aanzegging in dit geval niet voldoet aan de bepalingen en strekking van artikel 225 Rv Pro. Verder impliceert de ontbinding van een rechtspersoon niet zonder meer dat deze niet meer bestaat. Het hof verwijst daartoe naar artikel 2:19 lid 5 van Pro het Burgerlijk Wetboek, waarin is bepaald dat een rechtspersoon na ontbinding blijft voortbestaan, voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is.
3.3 De drie onder a tot en met c in lid 1 van artikel 225 Rv Pro. genoemde gevallen hebben gemeen dat de zeggenschap over het procesbeleid overgaat van de oorspronkelijke procespartij op (een) ander(en). Die ander(en) kan/kunnen behoefte hebben aan een termijn voor onderzoek naar de stand van de zaak, en voor beraad over voortzetting dan wel staking ervan. Daartoe biedt het artikel de mogelijkheid de procedure te schorsen. Wanneer sprake is van de dood van een partij, kan tot schorsing worden overgegaan door degene(n) op wie de zeggenschap over het procesbeleid is overgegaan. Nodig is daarom dat bij een aanzegging tot schorsing wordt vermeld wie degene(n) is/zijn op wie de zeggenschap over het procesbeleid is overgegaan en daarom belang hebben bij schorsing van het geding, en wat het rechtsfeit is op grond waarvan de zeggenschap is overgegaan.
3.4 In dit geval is alleen vermeld dat [bedrijf X] schorsing verzoekt. Zij is echter niet een belanghebbende zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.3, terwijl gesteld noch gebleken is dat sprake is van overgang van de zeggenschap over het procesbeleid op (een) ander(en).
Het hof zal daarom in het incident verstaan dat de procedure niet is geschorst. [bedrijf X] zal in de kosten van het incident worden veroordeeld. Deze zullen aan de zijde van [appellant] op nihil worden gesteld, nu hij niet heeft gereageerd op het verzoek van [bedrijf X]. In de hoofdzaak zal de zaak worden verwezen voor memorie van antwoord in het incidenteel appel aan de zijde van [appellant].
4. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
in het incident
verstaat dat de procedure niet is geschorst;
veroordeelt [bedrijf X] in de proceskosten, aan de zijde van [appellant] begroot op nihil;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de roldatum 20 december 2011 voor het nemen van een memorie van antwoord in het incidenteel appel door [appellant];
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. Fokker, I.A. Katz-Soeterboek en P.L.R. Wefers Bettink en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 november 2011.