ECLI:NL:GHAMS:2011:BU6916
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over dringende eigen gebruik en ontruiming huurovereenkomst woonruimte
In deze zaak staat de beëindiging van een huurovereenkomst betreffende een woning centraal, waarbij de verhuurders ([geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2]) stellen dat zij de woning dringend nodig hebben voor eigen gebruik in verband met verkoop van een garagebedrijf inclusief dienstwoning.
De kantonrechter wees de primaire vordering tot beëindiging af, maar stelde de subsidiaire vordering tot ontruiming per 1 oktober 2010 toe. Appellante betwist dat sprake is van dringend eigen gebruik en voert aan dat de verkoop van de dienstwoning onvoldoende is aangetoond, dat zij al lang in de woning woont en dat een verhuizing haar en haar geestelijk labiele dochter ernstig zou schaden.
Het hof oordeelt dat de verhuurders aannemelijk moeten maken dat de dienstwoning samen met het garagebedrijf is verkocht en dat zij daarom recht hebben op ontruiming. Het hof staat bewijslevering toe en verwijst de zaak naar de rol. Tevens overweegt het hof dat een redelijke ontruimingstermijn moet worden gegeven en kent het een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten toe, hoewel niet het volledige door verhuurders eerder geboden bedrag.
De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing na bewijslevering. Het hof weegt belangen zorgvuldig, erkent het belang van de verhuurders bij eigen gebruik, maar houdt ook rekening met de positie van de huurder.
Uitkomst: Het hof staat bewijslevering toe over de verkoop van de dienstwoning en wijst een redelijke tegemoetkoming in verhuiskosten toe, met aanhouding voor verdere beslissing.