ECLI:NL:GHAMS:2011:BU7815
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over matiging wettelijke verhoging wegens handelwijze werknemer na ontslag op staande voet
De werknemer trad in 1999 in dienst bij Marcova B.V. als werkvoorbereider. Na een operatie aan zijn rechterschouder in juni 2009 werd hij arbeidsongeschikt en startte in september 2009 een re-integratietraject. Er ontstond een geschil over de passendheid van het werk. Het UWV oordeelde dat passend werk aanwezig was. De werknemer weigerde mediation te ondertekenen en werd op 14 januari 2010 op staande voet ontslagen.
De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 14 mei 2010 en matigde de wettelijke verhoging op nihil wegens verwijtbaar handelen van de werknemer, die ondanks het UWV-oordeel bleef volhouden dat het werk te zwaar was. De werknemer stelde dat het werk wel te zwaar was, onderbouwd met medische brieven en een arbeidsdeskundig rapport.
Het hof oordeelde dat de werknemer geen concrete feiten had aangevoerd die het oordeel van het UWV konden weerleggen. De medische stukken betroffen werkzaamheden die niet overeenkwamen met het opgedragen werk tijdens re-integratie. Het hof verklaarde Marcova niet-ontvankelijk in het principale hoger beroep en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, waarbij de wettelijke verhoging wegens verwijtbaar handelen van de werknemer nihil bleef.
Uitkomst: Het hof verklaart Marcova niet-ontvankelijk in het principale hoger beroep en bekrachtigt het vonnis waarbij de wettelijke verhoging op nihil is gesteld wegens verwijtbaar handelen van de werknemer.