ECLI:NL:GHAMS:2011:BU8996
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en reikwijdte van vragen aan partijgetuigen bij voorlopig getuigenverhoor
Deze zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarbij een voorlopig getuigenverhoor was bevolen. Appellanten [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voerden aan dat zij niet gehouden waren vragen te beantwoorden van de zijde van [geïntimeerde sub 1], omdat zij als bijzondere getuigen ex art. 193 Rv Pro moesten worden aangemerkt en art. 179 lid 3 Rv Pro het stellen van vragen tijdens het lopende getuigenverhoor zou beperken.
Het hof oordeelde dat art. 179 lid 2 Rv Pro partijen en hun advocaten de bevoegdheid geeft om vragen te stellen aan alle getuigen, ongeacht of zij partij of belanghebbende zijn, en dat art. 179 lid 3 Rv Pro slechts het stellen van vragen over andere aspecten van het geschil tijdens het getuigenverhoor ordentelijk regelt zonder de bevoegdheid van lid 2 te beperken. Het beroep op een verschoningsrecht werd niet gegrond bevonden.
Verder werd geoordeeld dat appellanten als verzoekers partij zijn bij het incident en dus aan de beschikking zijn gebonden. Het verzoek om dwangsommen op te leggen bij weigering tot beantwoording werd afgewezen wegens het ontbreken van vragen die beantwoord moesten worden en het ontbreken van een duidelijk belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van art. 179 Rv Pro en de positie van partijgetuigen in voorlopige getuigenverhoren.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking en wijst het hoger beroep af, waarbij partijgetuigen gehouden zijn vragen te beantwoorden tijdens het voorlopig getuigenverhoor.