ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0739
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzorgingsvruchtgebruik onterfde echtgenote na overlijden erflater
De zaak betreft een geschil over de verplichting van erfgenamen om medewerking te verlenen aan de vestiging van een verzorgingsvruchtgebruik ten behoeve van een onterfde echtgenote, op grond van artikel 4:30 BW Pro. De echtgenote was gedurende 26 jaar samen met de erflater, maar leefde sinds 1995 gescheiden van hem. Na het overlijden van de erflater in 2009 vorderde zij een verzorgingsvruchtgebruik.
Het hof oordeelt dat de onterfde echtgenote geen recht heeft op een verzorgingsvruchtgebruik op de woning en inboedel, maar wel op andere goederen van de nalatenschap indien zij behoefte aan verzorging kan aantonen. Het hof weegt haar leeftijd, samenstelling van de huishouding, haar vermogen, ontvangen bedragen van de erflater, en haar ANW-uitkering mee bij het bepalen van de behoefte.
Hoewel zij geen pensioen heeft opgebouwd en geen recht op AOW, heeft zij aanzienlijke bedragen van de erflater ontvangen en beschikt zij over eigen vermogen. Het hof stelt vast dat zij gedurende vijf jaar na het overlijden een verzorgingsvruchtgebruik toekomt van €23.623 per jaar netto, rekening houdend met haar ANW-uitkering en vermogen. Na deze periode kan zij terugvallen op een Duitse bijstandsuitkering.
De erfgenamen worden veroordeeld om binnen 30 dagen medewerking te verlenen aan de vestiging van dit verzorgingsvruchtgebruik op alle goederen van de nalatenschap. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.
Uitkomst: Erfgenamen worden veroordeeld tot medewerking aan vestiging verzorgingsvruchtgebruik van €23.623 netto per jaar voor vijf jaar ten behoeve van onterfde echtgenote.