ECLI:NL:GHAMS:2011:BX1006
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Belangenafweging relatiebeding na kort dienstverband en werkzaamheden voor klant
De werknemer trad op 1 mei 2007 in dienst bij IMN en ging een relatiebeding aan voor de duur van de arbeidsovereenkomst plus één jaar daarna. Na acht maanden nam hij ontslag en verrichtte werkzaamheden voor het UWV, een klant die hij zelf had ingebracht. IMN vorderde betaling van boetes wegens overtreding relatiebeding en stelde dat zij belang had bij handhaving ter bescherming van haar klanten.
De kantonrechter oordeelde dat het belang van IMN bij handhaving van het relatiebeding voor de relatie UWV niet opweegt tegen het belang van de werknemer bij vernietiging van het beding. Het hof bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de werknemer geen specifieke kennis of ervaring bij IMN had opgedaan die IMN zou kunnen benadelen, en dat de klantrelatie door de werknemer zelf was ingebracht.
IMN had onvoldoende onderbouwd dat zij tijdens het korte dienstverband had geïnvesteerd in de werknemer of dat het UWV een bestaande klant van IMN was. Het hof wees het beroep van IMN op het relatiebeding af en veroordeelde IMN in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van IMN af en vernietigt het relatiebeding voor zover het de relatie met het UWV betreft.