Uitspraak
mr. D.M.J.M.G. Cuijperste Roermond,
mr. B.J.H. Cranste Amsterdam.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin zijn vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige besluiten van het UWV werd afgewezen. Appellant vorderde vergoeding van EUR 32.296,00 plus wettelijke rente, omdat het UWV aanvankelijk zijn WW- en Ziektewet-uitkering had geweigerd en pas later toegekend.
Het hof stelt vast dat het geschil draait om de vraag of het UWV aansprakelijk is voor meer dan de wettelijke rente over de vertraagde betaling. Volgens het hof betreft het hier een situatie van het met vertraging voldoen van een geldsom. Artikel 6:119 BW Pro fixeert de vergoeding bij vertraging op de wettelijke rente, ongeacht de werkelijke schade.
Het hof wijst het beroep af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. De wettelijke rente is reeds voldaan en de redelijkheid en billijkheid kunnen deze fixatie niet doorbreken. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Deze uitspraak sluit aan bij vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en benadrukt het belang van rechtszekerheid en hanteerbaarheid bij schadevergoeding wegens betalingsvertraging.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering tot meer dan wettelijke rente schadevergoeding af.