Uitspraak
mr. H. Loonsteinte Amsterdam,
mr. B. Külbste Amsterdam.
Gerechtshof Amsterdam
Appellanten huurden sinds 3 maart 2004 een woning van geïntimeerden. De kantonrechter ontbond de huurovereenkomst en veroordeelde appellanten tot ontruiming binnen twee maanden na betekening. Appellanten kwamen in hoger beroep en vorderden schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis.
Zij stelden dat nieuwe feiten, zoals commercieel gebruik van de woning en de slechte gezondheid van een van hen, een noodtoestand zouden veroorzaken bij ontruiming. Tevens werd aangevoerd dat de belangen van hun minderjarige kinderen onvoldoende waren meegewogen, mede in het licht van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind.
Het hof oordeelde dat vergelijkbare huurwoningen beschikbaar zijn en dat de financiële en gezondheidsargumenten onvoldoende feitelijk waren onderbouwd. Ook werd geoordeeld dat appellanten zelf de belangen van hun kinderen niet in de eerdere procedure hadden ingebracht en dat het ontbreken van een expliciete toetsing aan het kinderrechtenverdrag geen juridische misslag vormde. Daarom werden de grieven verworpen en het vonnis bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het verzoek tot schorsing van de ontruiming af.