Uitspraak
mr. R. de Leeuw
mr. A.R. Metselaar.
Het geding in hoger beroep
De stukken van het geding
De ontvankelijkheid van het hoger beroep
De feiten
De standpunten van partijen
De beoordeling
De beslissing
Gerechtshof Amsterdam
Klager diende een klacht in tegen de notaris wegens vermeende schending van diens zorgplicht bij het vestigen van drie hypotheken op een woning. De voorzitter van de kamer van toezicht verklaarde de klacht aanvankelijk niet-ontvankelijk, waarna klager verzet instelde. De kamer verklaarde het verzet deels gegrond en deels ongegrond. Klager stelde vervolgens hoger beroep in tegen deze beslissingen en tegen de beslissing van de kamer van 18 augustus 2011, waarin de klacht inhoudelijk ongegrond werd verklaard.
Het hof oordeelde dat klager niet ontvankelijk was in het hoger beroep tegen de beslissingen waarin het verzet ongegrond werd verklaard, conform artikel 99 lid 10 van Pro de Wet op het notarisambt. Voor het deel waarin het verzet gegrond werd verklaard en de beslissing van 18 augustus 2011 kon klager wel worden ontvangen. De feiten zoals vastgesteld door de kamer van toezicht werden overgenomen, waaronder dat de notaris bij het vestigen van de hypotheken afging op taxatierapporten en op de mededeling dat de woning werd verbouwd.
De klacht richtte zich op het verwijt dat de notaris onvoldoende zorgvuldigheid betrachtte bij het vestigen van hypotheken, waardoor overkreditering zou zijn ontstaan. Het hof volgde de kamer van toezicht in de conclusie dat de notaris voldoende zorgvuldigheid in acht had genomen. De notaris mocht vertrouwen op de taxatierapporten en de beschikkingsbevoegdheid van hypotheekgevers. De klacht werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere beslissingen bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof verklaart klager niet-ontvankelijk voor een deel van het hoger beroep en bekrachtigt de beslissing dat de klacht tegen de notaris ongegrond is wegens voldoende zorgvuldigheid bij het vestigen van hypotheken.