Klaagster stelde dat de notaris onzorgvuldig had gehandeld bij de afwikkeling van de nalatenschap van haar overleden vader, onder meer door onjuiste toepassing van het testament en mogelijke valsheid in geschrifte. Het testament kende klaagster een vordering toe ter grootte van 999/1000e deel van de nalatenschap, waarbij de moeder als executeur alle bevoegdheden had om de nalatenschap te beheren en schulden te voldoen.
De notaris had het testament conform de wil van erflater uitgevoerd, waarbij de moeder de centrale rol had in de afwikkeling en klaagster een geldvordering ontving die pas opeisbaar was na het overlijden van de moeder. De klacht was mede gebaseerd op een onjuiste interpretatie van de testamentaire bepalingen en het ontbreken van overleg met klaagster.
Het hof oordeelde dat de notaris niet onzorgvuldig had gehandeld, geen onjuiste of ongeldige testamentaire akten had opgesteld en dat klaagster geen financieel nadeel had geleden door de handelwijze van de notaris. De klacht werd daarom ongegrond verklaard en de bestreden beslissing van de Kamer van Toezicht werd bekrachtigd.