ECLI:NL:GHAMS:2012:BV1146
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M.F.J.N. van Osch
- G.P.M. van den Dungen
- W. Duitemeijer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over non-conformiteit en klachtplicht bij bodemverontreiniging erfpachtgrond
Deze zaak betreft een geschil tussen de Gemeente Utrecht en Achmea over bodemverontreiniging op een perceel grond in erfpacht, waarop kantoorgebouwen stonden. Achmea stelt dat de Gemeente niet aan haar mededelingsplicht heeft voldaan over de mate van verontreiniging, waardoor sprake is van non-conformiteit van de grond volgens artikel 7:17 BW Pro. De Gemeente betwist dit en voert onder meer aan dat Achmea bekend was met de bodemgesteldheid en dat de klachtplicht volgens artikel 7:23 BW Pro niet is nageleefd.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat Achmea een beroep kon doen op non-conformiteit en dat de Gemeente aansprakelijk was voor de schade wegens schending van haar mededelingsplicht. De Gemeente ging hiertegen in hoger beroep en voerde meerdere grieven aan, waaronder dat de conversieovereenkomst geen nieuwe overeenkomst is en dat Achmea tijdig op de hoogte was van de verontreiniging.
Het hof oordeelt dat de conversieovereenkomst wel een nieuwe, zelfstandige overeenkomst is waarop artikel 7:17 BW Pro van toepassing is. Verder is de klachtplicht van Achmea volgens artikel 7:23 BW Pro binnen bekwame tijd nagekomen, omdat de Gemeente direct na ontdekking van de vervuiling in december 2004 werd geïnformeerd en niet in haar bewijspositie is geschaad. Het hof laat de Gemeente toe bewijs te leveren dat Achmea ten tijde van het sluiten van de overeenkomst volledig op de hoogte was van de bodemverontreiniging, waarna nadere beoordeling zal volgen. Beslissingen worden aangehouden voor het horen van getuigen.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat Achmea tijdig heeft geklaagd en laat de Gemeente bewijs leveren over de bekendheid van Achmea met de bodemverontreiniging, waarna nadere beoordeling volgt.