ECLI:NL:GHAMS:2012:BV7398
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verkrijging en beschikkingsbevoegdheid van ontvreemde bankbrieven
In deze civiele zaak ging het om de verkrijging van 166 bankbrieven die tussen 1998 en 2000 uit de kluis van de bank aan de Herengracht in Amsterdam waren ontvreemd. Appellanten hadden deze bankbrieven via een keten van transacties verkregen en stelden te goeder trouw te zijn, terwijl de bank betwistte dat zij beschikkingsbevoegd waren.
Het hof bevestigde dat de eerste vervreemder, de dief, niet beschikkingsbevoegd was en dat de verkrijgers, waaronder een beurshandelaar namens een principaal, niet te goeder trouw waren. Dit omdat zij geen onderzoek hadden verricht naar de herkomst van de bankbrieven, terwijl de omstandigheden (zoals een aanzienlijke korting ten opzichte van de beurswaarde en beperkte verhandelbaarheid) juist tot nader onderzoek verplichtten. Ook de gebrekkige garantie van de raadsman van de principaal kon dit niet vervangen.
Het hof oordeelde dat appellanten geen eigenaar waren geworden van de bankbrieven, ook niet door verjaring, en dat de bank als bewaarster en uitgeefster een gerechtvaardigd belang had bij het terugvorderen van de bankbrieven. De vorderingen van appellanten werden afgewezen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd. Appellanten werden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat appellanten niet te goeder trouw waren, waardoor de overdracht van de bankbrieven ongeldig is.