ECLI:NL:GHAMS:2012:BV9299
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.H. de Bock
- W.J. Noordhuizen
- G.C.C. Lewin
- Rechtspraak.nl
Geschil over betaling en omvang advocatendeclaratie en ontbindende voorwaarde
Deze zaak betreft een geschil tussen appellant en een advocatenkantoor over de betaling van declaraties voor verleende juridische diensten in een hoger beroepsprocedure inzake prospectusaansprakelijkheid. Appellant stelde dat de begrotingsprocedure van de WTBZ gevolgd had moeten worden en dat een ontbindende voorwaarde niet was vervuld, waardoor geen overeenkomst tot stand zou zijn gekomen.
Het hof oordeelde dat de begrotingsprocedure niet van toepassing was omdat appellant ook andere gronden aanvoerde om niet te betalen. Verder werd vastgesteld dat de door appellant geformuleerde voorwaarde een ontbindende en geen opschortende voorwaarde was. Aangezien appellant niet tijdig een beroep op deze ontbindende voorwaarde had gedaan, was er wel degelijk een overeenkomst van opdracht.
Het hof stelde vast dat het advocatenkantoor onvoldoende had aangetoond dat appellant opdracht had gegeven voor bepaalde aanvullende werkzaamheden, zoals de desaveu-procedure en werkzaamheden rond de bankgarantie. Voor deze werkzaamheden was appellant dan ook niet gehouden tot betaling. Ten aanzien van het betalingsarrangement werd bevestigd dat het advocatenkantoor aanspraak kon maken op betaling tot het overeengekomen bedrag minus reeds betaalde bedragen.
De zaak werd verwezen naar de rol voor nadere toelichting door het advocatenkantoor over aanvullende werkzaamheden, waarna appellant een antwoordakte kan nemen. Het hof hield verdere beslissingen aan.
Uitkomst: Het hof bevestigt de overeenkomst van opdracht en veroordeelt appellant tot betaling van het overeengekomen honorarium, met uitzondering van werkzaamheden waarvoor geen opdracht is gegeven.