ECLI:NL:GHAMS:2012:BW3375
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kennelijk onredelijk ontslag na reorganisatie bij Zurel
Appellant is sinds 1985 in dienst geweest bij Zurel en werd ontslagen per 1 oktober 2009 na een reorganisatie bij Zurel Group en haar dochtervennootschappen. Hij stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was vanwege onvoldoende bedrijfseconomische redenen, onjuiste toepassing van het anciënniteitbeginsel en onvoldoende financiële compensatie.
De kantonrechter wees de vorderingen af, waarbij appellant niet ontvankelijk werd verklaard voor vorderingen tegen andere vennootschappen dan Zurel Logistics, zijn formele werkgever. In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel en oordeelde dat de financiële situatie van alle betrokken vennootschappen relevant was, maar dat de vordering alleen tegen de werkgever kon worden ingesteld.
Het hof overwoog dat de reorganisatie noodzakelijk was vanwege aanhoudende verliezen en de economische crisis, dat het afspiegelingsbeginsel correct was toegepast op basis van feitelijke functies en dat het Sociaal Plan, ondanks het ontbreken van vakbondsgoedkeuring, een redelijke afvloeiingsregeling bood. Appellant kon geen uitzonderlijke positie claimen die een ruimere regeling vereiste. De persoonlijke omstandigheden van appellant rechtvaardigden geen andere uitkomst.
Wel werd het oordeel van de kantonrechter over de proceskosten vernietigd; appellant werd veroordeeld in de kosten van eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof bekrachtigde het vonnis voor het overige en wees de vorderingen van appellant af.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen af en veroordeelt appellant in de proceskosten.