ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4384
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- E.F. Faase
- J. den Boer
- A.M.J.G. van Amsterdam
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hybride lening in vennootschapsbelasting bij achtergestelde lening aan dochtermaatschappij
Belanghebbende verstrekte een achtergestelde lening van €5 miljoen aan haar dochtermaatschappij [A BV], met een rentevergoeding deels afhankelijk van de winst. De centrale vraag was of deze lening als hybride lening kon worden aangemerkt volgens artikel 10 lid 1 onderdeel Pro d juncto lid 2 onderdeel b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
De lening kende geen vaste looptijd en de rente was minimaal 3,5% en maximaal 6,5%, waarbij de rente kon worden aangepast afhankelijk van de winst van de geldnemer. De rechtbank had geoordeeld dat het niet-winstafhankelijke deel van de rente meer dan de helft van de marktrente bedroeg, waardoor de lening niet als hybride lening kwalificeerde.
Het hof sloot zich aan bij de rechtbank en overwoog dat de marktrente voor vergelijkbare leningen hoger dan 7% zou moeten zijn geweest om aan de wettelijke definitie van hybride lening te voldoen, hetgeen niet aannemelijk was gemaakt. Ook het betoog van belanghebbende dat de bedoeling anders was, werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lening wordt niet aangemerkt als hybride lening.