ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4895
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging pensioenverrekening en afwijzing vernietiging echtscheidingsconvenant wegens dwaling
Partijen zijn in 1969 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden waarbij gemeenschap van goederen was uitgesloten. Bij echtscheiding in 1993 sloten zij een convenant waarin afspraken over pensioenverrekening werden gemaakt. De man stelde in hoger beroep dat sprake was van wederzijdse dwaling omdat zij niet wisten dat er geen wettelijke verplichting tot pensioenverrekening bestond. Het hof oordeelde dat de man zijn belangen door een gezamenlijke advocaat liet behartigen en niet voldoende had aangetoond dat hij niet op de hoogte was van de situatie.
Het hof bevestigde dat partijen in het convenant afspraken maakten over een voorwaardelijke uitkering aan de vrouw ter verrekening van het ouderdomspensioen. De man had de hoogte van deze uitkering erkend en ook de vrouw had erop vertrouwd dat zij recht had op de berekende bedragen. De man kon niet aantonen dat de vrouw geen behoefte had aan pensioenverrekening en het hof volgde het oordeel van de rechtbank dat de pensioenrechten van de vrouw niet hoefden te worden verrekend vanwege haar geringe pensioenopbouw.
Het hof wees de grieven van de man af en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Utrecht, behalve ten aanzien van de proceskostencompensatie. De vrouw kreeg gelijk in haar incidentele hoger beroep en het hof veroordeelde de man in de kosten van beide instanties. Het arrest werd uitgesproken op 24 januari 2012.
Uitkomst: Het hof wijst het beroep van de man op vernietiging wegens dwaling af en veroordeelt hem in de proceskosten.