ECLI:NL:GHAMS:2012:BX2365
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij skimmingzaak
In deze ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die was veroordeeld voor medeplegen van skimming en deelname aan een criminele organisatie, heeft het openbaar ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ingesteld. De totale opbrengst van de skimmingactiviteiten werd geschat op ruim 1,8 miljoen euro. Het hof overwoog dat de vordering gebaseerd moest zijn op een schatting die aan wettige bewijsmiddelen is ontleend.
De verdediging voerde onder meer niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan wegens schending van het vertrouwensbeginsel en betwistte dat de veroordeelde daadwerkelijk voordeel had genoten. Het hof verwierp het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou zijn en oordeelde dat het wijzigen van de vordering binnen het dossier toegestaan is.
Het hof stelde vast dat de veroordeelde deel uitmaakte van een hiërarchische organisatie waarvan de opbrengsten grotendeels in het buitenland werden geïncasseerd en dat er geen aanwijzingen waren dat de veroordeelde daadwerkelijk financieel voordeel had genoten. Ook waren er geen relevante vermogensbestanddelen bij haar aangetroffen. Gezien deze omstandigheden achtte het hof het niet redelijk om de opbrengst pondspondsgewijs toe te rekenen en wees de vordering af.
Het arrest vernietigt het vonnis van de rechtbank Haarlem en doet opnieuw recht door de vordering tot ontneming af te wijzen. Nadere onderzoekshandelingen worden daarmee overbodig geacht.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs van daadwerkelijk genoten voordeel.