ECLI:NL:GHAMS:2012:BX3119

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
5 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.101.213/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 FwArt. 15b FwArt. 278 lid 1 RvArt. 359 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens onvoldoende onderbouwing in faillissementszaak

In deze faillissementszaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 5 juni 2012 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van appellanten. Na een eerder tussenarrest waarin appellanten werden verzocht hun hoger beroep nader te onderbouwen, verschenen zij niet bij de voortgezette behandeling en lieten zij zich verder niet horen.

Het hof oordeelde dat het beroepschrift onvoldoende duidelijkheid bood over de gronden van het hoger beroep, met name met betrekking tot de goeder trouw bij de belasting- en CJIB-schulden en de overschrijding van de termijn zoals bedoeld in artikel 3 jo Pro. 15b van de Faillissementswet. Hierdoor voldeed het beroepschrift niet aan de vereisten van artikel 359 in Pro samenhang met artikel 278, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Gelet op het ontbreken van een duidelijke omschrijving van de gronden werd appellanten de niet-ontvankelijkheid in hun hoger beroep opgelegd. Het arrest is gewezen door drie rechters en uitgesproken in een openbare terechtzitting. Tegen dit arrest kan binnen acht dagen beroep in cassatie worden ingesteld.

Uitkomst: Appellanten worden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep wegens onvoldoende onderbouwing van de beroepsgronden.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST van 5 juni 2012 in de zaak met zaaknummer 200.101.213/01 van:
X,
Y,
APPELLANTEN,
advocaat: mr. S. van Dijk te Hilversum.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Op 3 april 2012 heeft het hof in deze zaak een tussenarrest gewezen, waarnaar het hof verwijst.
1.2. De behandeling is voortgezet ter terechtzitting van 8 mei 2012. Ter zitting is niemand verschenen.
2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep
2.1. Bij genoemd tussenarrest zijn appellanten in de gelegenheid gesteld hun hoger beroep nader te onderbouwen ondermeer met betrekking tot het overschrijden van de termijn ex artikel 3 jo Pro 15b Fw en de gestelde goeder trouw met betrekking tot de belasting- en CJIB-schulden.
2.2. Appellanten zijn echter niet op de nadere behandeling verschenen en hebben ook anderszins niet na het wijzen van het tussenarrest van zich laten horen.
2.3. Het hof is van oordeel dat nu appellanten enkel als grond in hun hoger beroepschrift van 30 januari 2012 hebben geformuleerd dat de schulden wel degelijk te goeder trouw zijn, zonder dit nader te onderbouwen niet is voldaan aan het vereiste ex artikel 359 in Pro samenhang met artikel 278, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat het beroepschrift een duidelijke omschrijving van de gronden bevat waarop het hoger beroep berust. Bij gebreke van deze omschrijving van de gronden in het beroepschrift dienen appellanten in hun hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2.4. Gelet op het voren overwogene wordt als volgt beslist.
3. De beslissing
Het hof:
- verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, R.H. de Bock en M.W.E. Koopmann en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 5 juni 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.