ECLI:NL:GHAMS:2012:BX8796
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.M. van Amsterdam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van rechtbankuitspraak over fiscale afwaardering rekening-courant vordering en schuld bij verkoop aandelen
Belanghebbende, aandeelhouder en werknemer van een vennootschap (Holding), had een rekening-courant vordering en een schuld aan deze vennootschap. Bij de aangifte inkomstenbelasting 2007 waardeerde hij de vordering af tot nihil en verlaagde daarmee zijn belastbaar inkomen uit werk en woning. De inspecteur corrigeerde deze afwaardering door deze slechts toe te staan voor het bedrag waarmee de vordering de schuld oversteeg, en bracht een correctie aan in box 1 en box 2. De rechtbank oordeelde dat de vordering en schuld civielrechtelijk waren verrekend en dat de afwaardering slechts voor het saldo van €35.736 in aanmerking kwam.
In hoger beroep bevestigde het Hof dit oordeel en verwierp het beroep van belanghebbende dat de schuld en vordering fiscaal gescheiden moesten worden behandeld in verschillende boxen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat in voorgaande jaren geen verrekening had plaatsgevonden en de inspecteur de vordering als ter beschikking gesteld vermogen bleef aanmerken. Het Hof verwierp ook het beroep op de foutenleer wegens gebrek aan onderbouwing.
Het incidenteel hoger beroep van de inspecteur, gericht op het behoud van rechten in box 2, werd eveneens ongegrond verklaard. Het Hof oordeelde dat de inspecteur niet in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur had gehandeld door beide correcties aan te brengen zolang niet duidelijk was welke standpunt stand zou houden. Ten slotte werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van belanghebbende in hoger beroep.
Uitkomst: Het Hof bevestigt de rechtbankuitspraak en wijst het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep af.