ECLI:NL:GHAMS:2012:BX8800
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.M. van Amsterdam
- E.F. Faase
- J.C.M. van Sonderen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aansprakelijkheid bestuurder voor naheffingsaanslag omzetbelasting na verbreking fiscale eenheid
Belanghebbende, als (middellijk) bestuurder van de BV, werd aansprakelijk gesteld voor de niet betaalde omzetbelasting over juni 2006. De fiscale eenheid waartoe de BV behoorde was ten tijde van het belastbare feit verbroken, waardoor de naheffingsaanslag terecht aan de BV werd opgelegd en niet aan de fiscale eenheid.
Het hof bevestigt dat artikel 43 Invorderingswet Pro 1990 de aansprakelijkstelling van belanghebbende niet verhindert, omdat hij niet aansprakelijk is gesteld voor de naheffingsaanslag aan de fiscale eenheid, maar voor die aan de BV. De meldingsplicht van betalingsonmacht was niet tijdig nageleefd, ondanks dat belanghebbende meerdere malen had verzekerd dat de BV aan haar verplichtingen kon voldoen.
Het hof oordeelt dat de regeling van artikel 36 lid 4 IW Pro niet in strijd is met het Eerste Protocol bij het EVRM. De aansprakelijkstelling van belanghebbende strekt zich uit tot het bedrag van de naheffingsaanslag, maar niet tot de heffingsrente, invorderingsrente en kosten, omdat daarvoor geen persoonlijk verwijt aan belanghebbende kan worden gemaakt. Het hof vernietigt de eerdere uitspraken en beperkt de aansprakelijkstelling tot € 2.883.887.
Uitkomst: De aansprakelijkstelling van belanghebbende wordt beperkt tot het bedrag van de naheffingsaanslag van € 2.883.887 en de rente en kosten worden niet aan hem toegerekend.