ECLI:NL:GHAMS:2012:BY0305
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- E.F. Faase
- J. den Boer
- J.C.M. van Sonderen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over toepassing houdsterverliesregeling bij verliesverrekening vennootschapsbelasting
Belanghebbende kreeg aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd over 2004 en 2005, waarbij de inspecteur de houdsterverliesregeling toepaste om verliesverrekening te beperken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar belanghebbende ging in hoger beroep.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende haar Spaanse deelneming had verkocht en de verkoopopbrengst binnen het concern had uitgeleend aan een Antilliaanse moedermaatschappij, waarna deze doorgeleend werd aan een Liechtensteinse trust. De inspecteur betwistte dat dit niet gericht was op verliesverrekening, maar het Hof vond het betoog van belanghebbende coherent en aannemelijk dat de uitlening binnen het normale concernbeleid viel en niet primair op verliesverrekening was gericht.
Het Hof oordeelde dat de houdsterverliesregeling, ingevoerd per 1 januari 2004, ook van toepassing is op verliezen uit voorgaande jaren, maar dat de tegenbewijsregeling geldt indien aannemelijk wordt gemaakt dat de toename van verbonden vorderingen en schulden niet in overwegende mate gericht is op verruiming van verliesverrekening.
Belanghebbende slaagde in dit tegenbewijs, waardoor de beperking van de verliesverrekening niet van toepassing was. Het Hof vernietigde de eerdere uitspraak, verklaarde het beroep gegrond, verminderde de aanslagen tot nihil en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en de aanslagen vennootschapsbelasting zijn verminderd tot nihil wegens geslaagd tegenbewijs tegen de houdsterverliesregeling.