ECLI:NL:GHAMS:2012:CA1483

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 november 2012
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
200.107.465/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282a RvArt. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid hoger beroep bij termijnoverschrijding betaling griffierecht in familierechtzaak

De vrouw kwam in hoger beroep tegen beschikkingen van de rechtbank Amsterdam in een familierechtzaak. Het hof behandelde uitsluitend de ontvankelijkheid van het hoger beroep, waarbij werd vastgesteld dat het griffierecht niet binnen de wettelijke termijn van vier weken na indiening van het beroepschrift was betaald. De betaling vond plaats enkele dagen te laat, waardoor volgens artikel 282a lid 2 Rv de vrouw niet-ontvankelijk moest worden verklaard.

De vrouw voerde aan dat verwarring over correspondentie van het hof en telefonische mededelingen haar het vertrouwen hadden gegeven dat het beroep ontvankelijk zou zijn, en deed een beroep op de hardheidsclausule uit artikel 282a lid 4 Rv. Het hof oordeelde echter dat deze omstandigheden niet tot toepassing van de hardheidsclausule konden leiden, mede omdat de termijn voor betaling van het griffierecht wettelijk is vastgesteld en de advocaat geacht wordt hiervan op de hoogte te zijn.

Daarnaast vond het hof de termijnoverschrijding, ondanks het tussengelegen weekend, niet verwaarloosbaar en wees het beroep op disproportionaliteit tussen griffierecht en belangen van de vrouw af. Het verzoek van de man om de vrouw in de proceskosten te veroordelen werd eveneens afgewezen. Het hof verklaarde de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en wees het verzoek van de man tot proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De vrouw is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
Sector familierecht
Uitspraak: 6 november 2012
Zaaknummer: 200.107.465/01
Zaaknummers eerste aanleg: 435865 / FA RK 09 6424 JK/LL en 435865 / FA RK 09 6424 (JK MW)
in de zaak in hoger beroep van:
[…],
wonende te […],
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. G.J.A. van Dinter te Roermond,
tegen
[…],
wonende te […],
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. W.A. Quispel te Huizen.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.
1.2. De vrouw is op 25 mei 2012 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 7 juli 2010 alsmede van de beschikking van 29 februari 2012 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 435865 / FA RK 09 6424 JK/LL respectievelijk 435865 / FA RK 09 6424 (JK MW).
1.3. De vrouw heeft op 29 juni 2012 de stukken in eerste aanleg ingediend.
1.4. De man heeft op 16 juli 2012 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.5. De man heeft op 17 juli 2012 een nader stuk ingediend.
1.6. Het hof heeft voorts kennis genomen van de ingekomen brieven van partijen, waaronder:
- de brief van de advocaat van de man van 15 augustus 2012;
- de brief van de advocaat van de vrouw van 22 augustus 2012.
1.7. De vrouw heeft op 27 augustus 2012 een verweerschrift in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep van de man ingediend.
1.8. De zaak is op 12 september 2012 ter terechtzitting behandeld. Daarbij is slechts de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde gekomen.
1.9. Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door mr. S.D. Worotikan, advocaat te Roermond;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep
2.1. Anders dan de advocaat van de vrouw heeft gesteld, is het hof van oordeel dat het door de vrouw verschuldigde griffierecht niet binnen de betalingstermijn van vier weken na indiening van het beroepschrift is betaald. Het beroepschrift is ingediend op 25 mei 2012 en derhalve had ingevolge artikel 3 lid 4 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) het griffierecht uiterlijk op 22 juni 2012 op de bankrekening van het hof moeten zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moeten zijn gestort. Dat het hof de ontvangst van het beroepschrift heeft bevestigd bij brief van 29 mei 2012 laat het voorgaande onverlet. Het griffierecht is op 25 juni 2012, derhalve na het verstrijken van voormelde termijn, ontvangen.
2.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 282a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) wordt de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek indien het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan. Op basis van het vierde lid van artikel 282a Rv kan de rechter deze bepaling echter buiten toepassing laten indien hij van oordeel is dat de toepassing hiervan gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
2.3. De advocaat van de vrouw stelt dat door de verwarringwekkende correspondentie van het hof het vertrouwen is gewekt dat de vrouw in haar beroep zou worden ontvangen en doet aldus een beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 282a lid 4 Rv. In dit verband voert de advocaat van de vrouw aan dat bij brief van het hof van 17 juli 2012 de vrouw in de gelegenheid is gesteld verweer te voeren tegen het incidenteel hoger beroep van de man en dat bij brief van het hof van 24 juli 2012 aan de vrouw is medegedeeld dat de behandeling van het verzoekschrift is bepaald op 12 september 2012. Voorts stelt de advocaat van de vrouw dat na ontvangst van de brief van het hof van 27 juni 2012, waarin wordt medegedeeld dat de vrouw niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep, telefonisch contact is gezocht met de griffie van het hof om mede te delen dat het een vergissing betrof en de griffierechten reeds waren betaald, waarna zijdens de griffie van het hof is medegedeeld dat een mondelinge behandeling zou volgen.
De advocaat van de man heeft deze stellingen betwist.
2.4. Het hof is van oordeel dat de mogelijk verwarringwekkende brieven van 17 juli 2012 en 24 juli 2012 noch voormelde telefonische mededeling tot toepassing van de hardheidsclausule kunnen leiden. Daargelaten of de advocaat van de vrouw aan die mededelingen de conclusie heeft mogen verbinden dat de vrouw in haar hoger beroep zou worden ontvangen, zijn die mededelingen gedaan nadat de termijn voor betaling van het griffierecht reeds was verstreken.
De stelling van de advocaat van de vrouw dat zij geen nota ter zake van het te betalen griffierecht heeft ontvangen, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu de termijn voor betaling van het griffierecht volgt uit de Wgbz. Volgens vaste jurisprudentie moet een advocaat op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure zonder meer worden geacht op de hoogte te zijn van de aan de orde zijnde termijn en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan.
Het vorenstaande geldt evenzeer voor de stelling dat de brief van het hof van 29 mei 2012 eerst op 23 juni 2012 bij de kantoorpost is aangetroffen en de vrouw daarom niet tijdig in kennis zou zijn gesteld ter zake van het te betalen griffierecht met opgave van het bankrekeningnummer waarop dit gestort diende te worden. Bovendien had de advocaat, teneinde te zorgen voor een tijdige betaling van het griffierecht, actie kunnen en moeten ondernemen om in het bezit te komen van de voor die betaling benodigde gegevens.
De door de advocaat van de vrouw aangevoerde omstandigheid dat de termijnoverschrijding, gezien het tussengelegen weekeinde, verwaarloosbaar is, noopt volgens vaste jurisprudentie evenmin tot toepassing van de hardheidsclausule.
Met betrekking tot de stelling van de advocaat van de vrouw dat sprake is van disproportionaliteit tussen het griffierecht en de omstandigheid dat de vrouw door de bestreden beschikkingen in haar aanzienlijke (financiële) belangen is getroffen, overweegt het hof dat ook deze stelling niet tot toepassing van de hardheidsclausule kan leiden , reeds omdat de juistheid daarvan eerst na een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de vrouw kan worden vastgesteld en aan een dergelijke beoordeling bij een ontvankelijkheidskwestie als de onderhavige niet wordt toegekomen..
Uit het vorenstaande volgt dat de door de advocaat van de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden niet kunnen leiden tot de conclusie dat toepassing van artikel 282a lid 2 Rv een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. De vrouw zal derhalve niet ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.
2.5. Er is onvoldoende aanleiding om de vrouw te veroordelen in de proceskosten, zoals door de man ter zitting in hoger beroep is verzocht. Deze kosten dienen op de gebruikelijke wijze te worden gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
2.6. Dit leidt tot de volgende beslissing.
3. Beslissing
Het hof:
verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar hoger beroep;
wijst af het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A. Joustra, A. van Haeringen en A.A. van Berge in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2012.