ECLI:NL:GHAMS:2013:1471
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bank faalt in specificatie kredietvergoeding en vertragingsvergoeding onder consumentenkredietwet
In deze zaak stond een geschil centraal tussen ABN AMRO Bank N.V. en een consument over de betaling van een saldo van €14.661,87 onder een Flexibel Krediet overeenkomst uit 1997. ABN AMRO vorderde betaling van dit bedrag wegens niet-nakoming van betalingsverplichtingen door de consument sinds 2010.
De rechtbank had geoordeeld dat ABN AMRO onvoldoende had gespecificeerd hoe de maximale kredietvergoeding, vertragingsvergoeding en boeterente waren berekend, hetgeen vereist is onder de dwingendrechtelijke Wet op het consumentenkrediet. Hierdoor werd de vordering afgewezen omdat de hoofdsom en rente niet voldoende waren onderbouwd.
In hoger beroep stelde ABN AMRO dat zij de wet steeds had nageleefd en overhandigde een historisch overzicht van opnames en betalingen. Het hof oordeelde echter dat zonder nadere toelichting dit overzicht onvoldoende is om te concluderen dat de wettelijke bepalingen waren nageleefd en dat de consument het gevorderde bedrag verschuldigd was. ABN AMRO had geen aanvullend bewijs geleverd en de betwisting van de consument was voldoende gemotiveerd.
Daarom faalde het hoger beroep en werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. ABN AMRO werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat ABN AMRO's vordering afwijst wegens onvoldoende specificatie van de kredietvergoeding en vertragingsvergoeding.